ECLI:NL:RBDHA:2026:10356

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL 26 15227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag op 29 april 2026 uitspraak gedaan over het beroep van een asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister had geoordeeld dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep buiten zitting behandeld en eerst beoordeeld of er sprake was van procesbelang. De minister deelde mee dat de asielzoeker met onbekende bestemming was vertrokken, en de gemachtigde van de eiser reageerde niet op het verzoek om te bevestigen of er nog contact was.

Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat de eiser geen prijs meer stelde op de bescherming in Nederland, hetgeen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15227

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Voordat een beroep inhoudelijk kan worden behandeld, moet de bestuursrechter uit zichzelf beoordelen of er sprake is van procesbelang.
2. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om aan te geven of zij nog actueel contact onderhoudt met eiser.
3. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met name de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Er is daarmee geen procesbelang meer aanwezig. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is op 29 april 2026 gedaan door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.