Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10417

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.40855
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 31, zesde lid, onder b, VwArt. 31, zesde lid, onder c, VwArtikel 1a VluchtelingenverdragArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardige problemen met Al-Shabaab

Eiser, een Somalische ondernemer, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij in Mogadishu door Al-Shabaab werd bedreigd en afpersing ondervond. Hij deed aangifte na bedreigingen en de moord op een collega, maar kon zijn verhaal niet met documenten onderbouwen.

De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de verklaringen over problemen met Al-Shabaab en het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of ernstig persoonlijk risico bij terugkeer. De rechtbank toetste de geloofwaardigheid aan de hand van de nieuwe werkinstructie 2024/6 en oordeelde dat de minister niet in strijd met EU-recht handelde.

De rechtbank vond dat de minister terecht twijfelde aan de samenhang en consistentie van eisers relaas, onder meer vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van concrete details. Ook het ontbreken van documenten zoals aangifte of verhoorrapporten woog mee.

Verder concludeerde de rechtbank dat de algemene verslechtering van de situatie in Mogadishu onvoldoende is om een individueel verhoogd risico aan te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van problemen met Al-Shabaab en gebrek aan gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40855

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.J. Halbesma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag -samengevat- het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij in Somalië manager was van een eettent in Mogadishu die hij samen met een collega exploiteerde. In april 2019 werd hij gebeld door Al-Shabaab. Zij droegen hem op om belastinggeld te betalen. In juni 2019 werd eiser opnieuw gebeld door Al-Shabaab. Zij wezen hem erop dat hij nog niet betaald had en bedreigde hem. Hij zou er spijt van krijgen als hij dit niet alsnog zou doen. Rond september 2019 is eiser weer gebeld door Al-Shabaab. Eiser werd gemaand om naar Torotorow te komen om berecht te worden, omdat hij nog steeds niet had betaald. Ook eisers collega, [naam 2], ontving dit soort telefoontjes en de oproep om te verschijnen voor de rechtbank van Al-Shabaab. Eiser en [naam 2] hebben daarop samen aangifte gedaan tegen Al-Shabaab bij de politie. Kort daarna is [naam 2] vermoord door Al-Shabaab en werd ook eiser met de dood door hen bedreigd via een bericht dat eiser op zijn telefoon kreeg.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met Al-Shabaab.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De gestelde problemen met Al-Shabaab vindt de minister niet geloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en geen goede verklaring heeft gegeven [2] waarom hij niet (meer) onderbouwing heeft verstrekt. Ook vormen eisers verklaringen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3]
4.2.
Ten aanzien van het geloofwaardig geachte asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser enkel op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [4] Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. [5] De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Werkinstructie (WI) 2024/6 en geloofwaardigheidsbeoordeling
Het betoog van eiser
5. Eiser stelt, met verwijzing naar de jurisprudentie en prejudiciële vragen, dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling (Werkinstructie 2024/6) mogelijk in strijd is met het EU-recht en internationale verdragen.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen grond bestaat voor het standpunt dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die op grond van WI 2014/10 diende plaats te vinden. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten bij zijn beoordeling heeft betrokken en of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. De rechtbank overweegt verder dat de minister alle omstandigheden in een individueel geval altijd in samenhang moet beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen niet als strikte checklist worden getoetst door de minister. De rechtbank volgt daarmee eisers standpunt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd zou kunnen zijn met het EU-recht, niet.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling op grond van de WI 2024/6 in de onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht gehandeld. De minister heeft alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken bij de gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling. In dit geval heeft de minister vastgesteld dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve en op zijn zaak geconcretiseerde documenten die zijn asielmotieven in voldoende mate onderbouwen. De minister heeft vervolgens mede op basis van andere/aanvullende informatie beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Hierbij heeft de minister de verklaringen van eiser op zichzelf en in samenhang met andere beschikbare informatie beoordeeld. De minister heeft de asielaanvraag van eiser dus niet enkel afgewezen omdat eiser geen objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd, maar heeft een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief: de problemen met Al Shabaab
Het betoog van eiser
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn verklaringen geloofwaardig zijn. Verder wijst eiser erop dat hij, als ondernemer tot een groep behoort die in de praktijk veelvuldig geconfronteerd wordt met systematische afpersing door Al-Shabaab. Dit maakt het eerder aannemelijk dat eiser in zijn specifieke geval eveneens met afpersing te maken heeft gehad. De minister had moeten motiveren waarom desondanks aan hem het voordeel van de twijfel niet gegeven kan worden, als reeds dit deel van het relaas geloofwaardig is. Volgens eiser heeft hij in voldoende mate de verschillende tegenwerpingen uit het voornemen weersproken. De minister heeft in het besluit enkel de stellingen uit het voornemen herhaald. Ten onrechte is door de minister het asielrelaas dan ook ongeloofwaardig bevonden.
Het oordeel van de rechtbank
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn verklaringen, ook in samenhang bezien met de algemene informatie over de ervaringen van ondernemers met Al-Shabaab in Mogadishu, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook hij problemen heeft met Al-Shabaab.
7.1.
De minister is in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op de punten die eiser in zijn zienswijze heeft genoemd, zoals de omstandigheid dat eiser ondernemer was, eisers verklaringen over de bedreigingen, telefoontjes, zijn vrees, de moord op [naam 2] en de oproeping om te verschijnen voor de rechtbank van Al-Shabaab. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft het bijvoorbeeld ongerijmd kunnen vinden dat eiser naar aanleiding van de eerste twee dreig-telefoontjes, ondanks zijn vrees voor wat er met hem zou kunnen gebeuren, geen enkele maatregelen heeft genomen om zichzelf tegen Al-Shabaab te beschermen. Dit klemt temeer nu hij wist dat de bedreiging door Al-Shabaab vergaande gevolgen kon hebben en hij er voorts van uitging dat leden van Al-Shabaab ook zijn zaak bezochten. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop in de telefoontjes door Al-Shabaab bedreigingen werden geuit. De minister heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn intentie om al dan niet de opgeëiste belastinggelden te betalen. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser vaag, summier en oppervlakkig heeft verklaard over de oproep om te verschijnen voor de rechtbank van Al Shabaab. Niet is gebleken dat aan eiser een concrete datum of tijdstip van die berechting is meegedeeld en eiser heeft deze oproeping ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat, nu volgens eiser de oproep van de rechtbank van Al-Shabaab afkomstig was, het moment waarop eiser zich moest melden voor die berechting in ieder geval specifieker moet zijn geweest dan ‘binnen 14 dagen’. [6] Verder heeft de minister het onnavolgbaar kunnen vinden dat eiser niet gerichter kon verklaren over de ligging van Torotorow, de stad waar de rechtbank gelegen zou zijn. [7] Ter zitting heeft de rechtbank eiser drie verschillende verklaringen van hem voorgehouden over zijn wetenschap waar die plaats zou zijn gelegen, waarbij eiser geen verklaring kon geven waarom hij drie verschillende verklaringen daarover heeft afgelegd. De minister heeft het voorts vreemd kunnen vinden dat eiser niet heeft kunnen verklaren welke winkels zich in de naaste omgeving van zijn eigen zaak bevonden.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat deze verklaringen verder afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser.
Eiser heeft er weliswaar op gewezen dat de door de minister genoemde tegenstrijdigheden in de zienswijze het gevolg zijn van stress en ondervonden trauma’s maar de minister heeft er naar het oordeel van de rechtbank op kunnen wijzen dat uit het medisch advies en gelet op eisers referentiekader niet volgt dat eiser beperkt zou zijn geweest in zijn mogelijkheden om samenhangend en consistent te verklaren. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn standpunt niet met medische informatie heeft onderbouwd.
Anders dan eiser meent, maakt het enkele feit dat hij ondernemer is en uit de algemene informatie naar voren komt dat de groep ondernemers veelvuldig het slachtoffer is van afpersing door Al-Shabaab, niet dat reeds daarom ook eiser het slachtoffer is geworden van afpersing door Al-Shabaab en zijn gestelde problemen met Al-Shabaab geloofwaardig geacht moeten worden. De beroepsgronden slagen niet.
7.2.
De minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. Dat eiser ook geen documenten kan overleggen heeft de minister niet hoeven te volgen. De minister heeft mogen verwachten dat eiser documenten had overgelegd over bijvoorbeeld de aangifte die hij heeft gedaan of over het verhoor dat hem is afgenomen na de moord op [naam 2]. Eiser heeft dat niet gedaan. Niet is gebleken dat eiser enige inspanning heeft verricht om die stukken te verkrijgen. De enkele mededeling van eiser dat dergelijke stukken niet worden overgelegd heeft de minister als een onvoldoende rechtvaardiging kunnen beschouwen voor het in het geheel niet overleggen van enig document. Daarbij komt dat eisers verklaring enerzijds dat hij is verhoord in verband met het onderzoek naar het achterhalen van de doodsoorzaak van [naam 2] en anderzijds zijn verklaring dat hij tijdens dat verhoor van de politie heeft vernomen dat [naam 2] was vermoord door Al-Shabaab, maakt dat eisers verklaringen daarover niet aannemelijker zijn geworden. Nu eiser geen nadere onderbouwing heeft gegeven van de ontvangen bedreigingen, over de moord op [naam 2] en eisers verklaringen een algemeen karakter hebben, heeft de minister de gestelde aangifte, de gestelde moord op [naam 2] en de gestelde doodsbedreigingen niet aannemelijk kunnen achten. De beroepsgronden slagen niet.
Risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië en algemene situatie Mogadishu
Betoog van eiser
8. Eiser wijst erop dat de algemene situatie in Somalië ernstig aan het verslechteren is. Al-Shabaab heeft inmiddels een steeds groter deel van het land in handen. De groepering heeft als doel om nog dit jaar ook Mogadishu in te nemen. Hoewel nog geen sprake is van een volledige oorlogssituatie, kan dit elk moment veranderen. Uit de algemene informatie blijkt immers dat Al-Shabaab zelfs binnen Mogadishu in staat is om in verschillende wijken ongestoord te opereren, bijvoorbeeld door meer gerichte aanslagen, het plaatsen van checkpoints en het afpersen van lokale ondernemers. Eiser stelt dat de minister deze verslechterende veiligheidssituatie moet betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over de door hem ervaren afpersing door Al-Shabaab. Daarnaast moet de minister rekening houden met de mogelijkheid van een situatie van algeheel en willekeurig geweld.
Het oordeel van de rechtbank
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft zijn vrees niet aannemelijk gemaakt en heeft enkel verwezen naar de verslechterende situatie in Mogadishu. Verder heeft eiser niet onderbouwd waarom hij persoonlijk het risico loopt op vervolging of ernstige schade. Het is namelijk bekend dat er aanslagen worden gepleegd, dat er burgerslachtoffers vallen en dat er sprake is van gevaarlijke situaties en locaties, maar hiermee is de grens van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn nog niet bereikt. Nu voor Mogadishu een lager niveau van geweld is aangenomen, betekent dit dat eiser meer individuele omstandigheden naar voren moet brengen om een 15c-situatie aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Het enkele feit dat eiser ondernemer is en sprake is van een verslechterende situatie in Mogadishu, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Hierbij is verder van belang dat eisers verklaringen over zijn problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn bevonden. Ook de verwijzing naar algemene informatie is onvoldoende om te stellen dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zie artikel 31, zesde lid, onder b, Vw.
3.Zie artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
5.In de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
6.Zie pagina 10 en 11 van het rapport van het nader gehoor.
7.Zie pagina 5, 10 en 11 van het rapport van het nader gehoor.