Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.27725
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 14 EVRMVerordening 810/2009/EGBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing visum kort verblijf wegens ondeugdelijke motivering

Eiseres, een Marokkaanse vrouw van 61 jaar, verzocht om een visum kort verblijf om haar in Nederland wonende echtgenoot te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko en twijfel over haar terugkeer.

Eiseres voerde aan dat zij wel degelijk sociale en economische bindingen heeft, waaronder eigendom van een woning en een substantieel banksaldo, en dat het besluit onevenredig is omdat zij haar echtgenoot anders niet kan bezoeken. Tevens stelde zij dat zij onterecht niet is gehoord en dat het toetsingskader discriminatoir is.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een ruime beoordelingsruimte heeft en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig zal terugkeren. Wel stelde de rechtbank vast dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, mede doordat de minister niet op zitting verscheen en geen verweerschrift indiende.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de evenredigheid en het horen van eiseres betrokken moeten worden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het visum kort verblijf wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27725

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (echtgenoot van eiseres en referent), de gemachtigde van eiseres en J. Lakja als tolk. De gemachtigde van verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 22 november 2024 heeft eiseres verzocht om een visum kort verblijf. Eiseres wenst op bezoek te gaan bij haar echtgenoot, referent.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Redengevend daarvoor is dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook heeft zij niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor haar terugreis naar het land van herkomst. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De sociale en economische binding met Marokko is onvoldoende aangetoond dan wel gering gebleken, waardoor het niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres tijdig het Schengengebied zal verlaten.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres voert het volgende aan. Eiseres heeft sociale binding met Marokko. De afwijzing is in strijd met internationale regelgeving en het evenredigheidsbeginsel, omdat verweerder haar leeftijd, haar kinderloosheid en het feit dat haar echtgenoot in Nederland woont tegenwerpt, waardoor zij haar echtgenoot met wie ze bijna zeven jaar getrouwd is nooit mag opzoeken. Verweerder gaat eraan voorbij dat zij referent al van jongs af aan kent, en dus voor het huwelijk al verwant was aan zijn familie. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2019 [1] . Ook heeft eiseres economische binding met Marokko. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de persoonlijke situatie van eiseres in samenhang met het eigendom van een woning en een substantieel bedrag op de bankrekening geen economische binding van eiseres met Marokko opleveren. Verweerder heeft ook niet ineens in bezwaar kunnen tegenwerpen dat een eerdere aanvraag van een MVV/TEV van eiseres in 2019 is afgewezen. De daarop betrekking hebbende stukken zijn niet aan het dossier toegevoegd, waardoor eiseres daar niet op heeft kunnen reageren. Daarbij wenst eiseres niet in Nederland te wonen, maar een multiple entry visum te krijgen zodat zij één of twee keer per jaar een paar maanden in Nederland kan zijn bij referent. Daarnaast had verweerder moeten overwegen om voorwaarden te verbinden aan het visum. Ook heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord. Tot slot heeft verweerder nagelaten om te beoordelen of het besluit evenredig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader visum kort verblijf
6. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode [2] genoemde weigeringsgronden ieder afzonderlijk voldoende zijn om een aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen. Uit voornoemd artikel, aanhef en onder a (onderdeel ii), volgt dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of (onderdeel iii) indien de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Uit aanhef en onder b van voornoemd artikel volgt dat een visum kan worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Marokko dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [3] De bestuursrechter kan de conclusies van verweerder over de toepasselijkheid van deze weigeringsgronden daarom slechts terughoudend toetsen.
Sociale en economische binding
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er onvoldoende sociale en economische binding van eiseressen met Marokko is gebleken.
7.1.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de sociale binding van eiseres met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres 61 jaar is, geen kinderen heeft en dat haar echtgenoot in Nederland woonachtig is. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiseres geen sociale band heeft met Marokko voor wat betreft eigen achterblijvende gezinsleden. Eiseres heeft aangegeven een broer te hebben in Marokko, maar verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding van eiseres met Marokko daardoor zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd kan worden geacht. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres zorg heeft voor andere directe familieleden of dat er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die haar dwingen tijdig naar Marokko terug te keren. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat de sociale banden van eiseres ook in Nederland liggen, omdat haar echtgenoot en meerdere familieleden in Nederland woonachtig zijn. De omstandigheid dat eiseres al 60 jaar in Marokko woont, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat verweerder hiermee bekend was en daarin geen aanleiding heeft gezien om sterke (sociale) binding met Marokko aan te nemen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd waarom eiseres haar economische binding met Marokko niet heeft aangetoond. Ten aanzien van de economische binding heeft verweerder mogen tegenwerpen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien. Niet in geschil is dat eiseres werkloos is. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat een bedrag op de bankrekening en eventuele financiële ondersteuning van referent aan eiseres niet noopt tot tijdige terugkeer naar Marokko, omdat eiseres daarvoor niet aanwezig hoeft te zijn in Marokko. Ten aanzien van het eigendomsbewijs van een appartement in Marokko en de eigen woning van eiseres, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat onroerende goederen doorgaans ook op afstand kunnen worden beheerd, verhuurd of verkocht en dat dit zodoende geen fysieke aanwezigheid van een vreemdeling in het land van herkomst vereist.
7.3.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo, dat het gehanteerde toetsingskader voor eiseres in haar nadeel uitpakt, omdat zij vanwege haar leeftijd en het feit dat zij onopgeleid en kinderloos is niet in staat zal zijn haar sociale en economische binding aannemelijk te maken en daardoor haar man niet kan bezoeken in Nederland. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2019 [4] en beroept zich op het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM. [5]
7.4
De rechtbank stelt voorop dat verweerder een aanvraag kan weigeren als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Zoals hiervoor al uiteengezet, volgt uit vaste jurisprudentie dat aan verweerder een ruime beoordelingsruimte toekomt. Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en de economische binding van een vreemdeling met het land van herkomst. Het is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat er geen redelijke twijfel kan bestaan over haar voornemen Nederland tijdig te verlaten. De bewijslast in dit kader is vormvrij. Bijlage II van de Visumcode geldt in dit verband als een niet-limitatieve opsomming van mogelijke bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat dit toetsingskader niet discriminatoir is jegens eiseres. Dat het in het geval van eiseres moeilijker kan zijn om sociale en economische binding aan te tonen, maakt niet dat het toetsingskader onjuist of discriminatoir is. Anders dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak, heeft verweerder er overigens ook blijk van gegeven de bijkomende omstandigheden in onderlinge samenhang bezien (zie 8.1).
7.5
Eiseres verzet zich ertegen dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar een eerdere MVV TEV aanvraag van eiseres uit 2019. Hoewel de rechtbank onbekend is met het standpunt van verweerder, leidt deze grond niet tot een ander oordeel nu verweerder gelet op het voorgaande al heeft kunnen tegenwerpen dat er twijfel is over de tijdige terugkeer van eiseres naar Marokko.
Evenredigheid
8. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onevenredig is nu zij feitelijk nooit in staat zal zijn haar man in Nederland te bezoeken. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet betrokken in hoeverre deze omstandigheid in verhouding staat tot het met het besluit te dienen doel. Aangezien verweerder niet op zitting is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, heeft verweerder zijn standpunt ook niet nader kunnen toelichten. Het ligt niet op de weg van de rechtbank om zonder bekend te zijn met het standpunt van verweerder op dit punt tot een inhoudelijke beoordeling te komen. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd.
8.1.
De gemachtigde van eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als een van de gronden van eiseres gegrond wordt verklaard, deze door verweerder niet alsnog mag worden tegengeworpen in een eventueel nieuw besluit. Dit omdat verweerder afwezig was ter zitting en de grond(en) zodoende niet heeft betwist [6] . Hoewel de rechtbank het met de gemachtigde van eiseres eens is dat het niet wenselijk is dat verweerder niet ter zitting verschijnt, ziet de rechtbank geen aanleiding dit verzoek toe te wijzen. Wel weegt de rechtbank het ontbreken van een verweerschrift en de afwezigheid van verweerder ter zitting in zoverre mee, dat de rechtbank evenmin aanleiding ziet voor een bestuurlijke lus. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder mee om in het nieuw te nemen besluit tevens te betrekken of hetgeen door eiseres is aangevoerd over evenredigheid aanleiding geeft om eiseres al dan niet te horen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. De kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7817, r.o. 6.1.
2.Verordening 810/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009.
3.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7817, r.o. 6.1.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.verwezen is naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 27 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6122.