Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.18118 en NL25.18122
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:48 AwbArt. 4:84 AwbArt. 3:4 AwbArt. 3.6 VbArt. 3.6a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken mvv-vrijstelling ondanks medische situatie familie

Eiser, een Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met als verblijfsdoel verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van het mvv-vereiste kon worden toegekend.

Eiser stelde dat de medische situatie van het familielid, referente, ernstig was en dat zij afhankelijk was van zijn zorg. Hij voerde aan dat terugkeer naar Suriname onredelijk hard zou zijn vanwege het ontbreken van onderdak en sociaal netwerk, en verwees naar jurisprudentie en medische stukken. De rechtbank oordeelde echter dat de medische situatie onvoldoende was onderbouwd en dat verweerder terecht had geoordeeld dat het niet onevenredig bezwarend was om vast te houden aan het mvv-vereiste.

De rechtbank concludeerde dat verweerder niet ambtshalve hoefde te onderzoeken of eiser op andere gronden in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van het beleid rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.18118 en NL25.18122
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De behandeling van het beroep ter zitting stond gepland op 9 februari 2026. De gemachtigde van eiser en verweerder zijn met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 30 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referente. Volgens eiser is referente vanwege haar medische situatie beperkt in haar dagelijks functioneren en is zij afhankelijk van eiser.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een mvv-vrijstelling. [1] Hoewel er familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] tussen eiser en referente wordt aangenomen, valt de belangenafweging in het nadeel van eiser en referente. De afwijzing is ook niet in strijd met het privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Het is daarnaast niet onredelijk hard om terug te keren naar Suriname om daar een mvv aan te vragen. In dat kader is de huidige medische situatie van referente niet onderbouwd. Er is niet aangetoond dat haar medische situatie is verslechterd en het is niet gebleken dat referente afhankelijk is van de ondersteuning door eiser. Verweerder concludeert daarnaast dat het niet onevenredig bezwarend is om vast te houden aan het mvv-vereiste. [3] Verweerder heeft ook niet ambtshalve hoeven onderzoeken of eiser op andere gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden waardoor verweerder van de beleidsregels moet afwijken. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert het volgende aan. De belangenafweging is onjuist en getuigt van onvoldoende waardering voor de feitelijke situatie. Referente is pensioengerechtigd en lijdt aan ernstige medische aandoeningen: zij heeft een verbrijzelde heup, knieprothesen, een pen in haar heup en mobiliteitsproblemen. Ook is er sprake van frequente valincidenten en heeft zij nachtelijke zorgbehoefte. Zij is afhankelijk van eiser voor: medicatietoediening, hulp bij opstaan en naar bed gaan, douche- en toiletbegeleiding, maaltijdverzorging en nachtelijke assistentie. Geen van de kinderen van referente kan deze zorg op zich nemen. De eerdere inzet van thuiszorg was ook onvoldoende. Er wordt geen nachtzorg geboden. Ook verwijst eiser naar jurisprudentie van het EHRM [5] . Het is daarnaast onevenredig om van eiser te verwachten dat hij terugkeert naar Suriname om een mvv-aanvraag te doen. Eiser heeft namelijk geen onderdak of sociaal netwerk in Suriname. Ook blijft referente dan in Nederland achter zonder zorg en ook is terugkeren financieel niet haalbaar. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019. [6] Daarnaast is het onredelijk hard om eiser terug te sturen. Eiser heeft namelijk medische stukken overgelegd en de IND had zelf ook onderzoek kunnen laten verrichten. Daarbij is de zorgbehoefte van referente voldoende toegelicht in de hoorzitting. Ook moet er van het beleid worden afgeweken in het kader van artikel 4:84 Awb Pro. De IND had daarnaast ambtshalve moeten beoordelen of verblijf op medische of humanitaire gronden mogelijk was, in de zin van artikel 3:4 Awb Pro.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Niet in geschil is of eiser een duurzame relatie heeft met referente. Ook niet in geschil is dat eiser niet over een geldige mvv beschikt.
Geen vrijstelling mvv-vereiste
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser op goede gronden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
9. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser en referente uitvalt. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat referent is vrijgesteld van het middelenvereiste en dat het economisch belang daardoor minder zwaar weegt. Daar heeft verweerder tegenover kunnen stellen dat het niet in het belang van de Nederlandse overheid is dat eiser, wanneer hij naar Nederland komt, toegang zal krijgen tot alle voorzieningen die vanuit de algemene middelen worden betaald. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat de wens van eiser om in Nederland te gaan werken ten tijde van het bestreden besluit een toekomstige onzekere gebeurtenis is. Verder heeft verweerder eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Suriname op straat zal belanden in de belangenafweging meegewogen. Verweerder wijst erop dat er subjectieve belemmeringen kunnen bestaan die de terugkeer naar het land van herkomst moeilijk maken. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om een passende woonruimte te vinden in Suriname. Niet is onderbouwd dat eiser, eventueel met behulp van familie of vrienden, geen woonruimte zal kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat eiser voor zijn komst naar Nederland op 27 februari 2023 in Suriname heeft gewoond en gewerkt. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser een sterke band met Suriname heeft en dat de omstandigheid dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft in zijn voordeel werkt, maar nog niet betekent dat hij daardoor een sterke band met Nederland heeft en dat eiser zijn banden met Nederland niet met stukken heeft onderbouwd. Tot slot heeft verweerder voorbij kunnen gaan aan de gestelde afhankelijkheidsrelatie, nu eiser in de gelegenheid is gesteld deze nader te onderbouwen maar dit niet is gebeurd (zie ook hierna onder 11).
10. Eiser heeft gewezen op de medische situatie van referente en zijn eigen financiële situatie. Verweerder heeft deze omstandigheden betrokken en beoordeeld of een beroep op de hardheidsclausule slaagt.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het niet onevenredig bezwarend is om vast te houden aan het mvv-vereiste, omdat de medische situatie van referente geen reden vormt om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de huidige medische situatie van referente niet met bewijsstukken is onderbouwd. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat in het overgelegde ontslagbericht van [hulpverlener] van 28 maart 2023 staat dat de revalidatie van referente na haar heupbreuk redelijk spoedig is verlopen en dat zij in voldoende conditie ontslagen is. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat in het ontslagbericht staat dat alle vijf de kinderen van referente betrokken zijn en dat zij één dochter heeft die helpt met het dagelijks wassen en aankleden van referente. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat dit het laatste objectieve bewijsstuk is omtrent de medische situatie van referente. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft eiser toegelicht dat geen van de kinderen van zijn partner de zorg op zich kan nemen, de inzet van thuiszorg onvoldoende is en dat nachtzorg niet wordt geboden. Verweerder wijst er echter terecht op dat eiser de mogelijkheid heeft gekregen om zijn toelichting op de hoorzitting met bewijsstukken te onderbouwen. Eiser heeft naar aanleiding daarvan alleen een verslag overgelegd van zijn huisarts van 13 december 2024. Verweerder heeft er vervolgens op mogen wijzen dat dit verslag om een “subjectieve beschrijving van haar eigen situatie” gaat, zoals in het verslag is vermeld. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat de huisarts in datzelfde verslag aan referente heeft geadviseerd om een verslag op te vragen bij haar fysiotherapeut waarin het beloop van haar revalidatie na de knieoperatie staat beschreven, maar dat eiser geen recent verslag van de fysiotherapeut van referente heeft opgestuurd. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat niet is aangetoond dat de medische situatie van referente na haar ontslag uit het ziekenhuis en de revalidatiekliniek is verslechterd en dat zij niet zelfredzaam is. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat referente afhankelijk is van de ondersteuning van eiser of dat deze ondersteuning niet door derden kan worden gegeven.
12. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden op zichzelf genomen niet voldoende zijn voor een vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule, zelfs al zou eiser aan alle materiële voorwaarden voor de verblijfsvergunning voldoen. [7] Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij geen financiële middelen heeft of geen financiële ondersteuning van bijvoorbeeld zijn partner kan krijgen om terug te keren naar Suriname om daar een mvv aan te vragen. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat eiser niet heeft aangetoond dat referente vanwege medische klachten afhankelijk is van zijn zorg, zoals hiervoor in r.o. 11 overwogen. Verweerder heeft er ook op mogen wijzen dat eiser niet heeft aangetoond dat referente, wanneer zij er voor zou kiezen om met eiser terug te keren naar Suriname, zij daar de benodigde zorg niet kan krijgen.
Ambtshalve beoordeling verblijfsvergunning op medische of humanitaire gronden?
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder ambtshalve heeft moeten beoordelen of verblijf op medische of humanitaire gronden mogelijk was. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat verweerder niet ambtshalve hoeft te beoordelen of eiser op andere gronden dan ‘verblijf bij partner’ in aanmerking kan komen voor verblijfsrecht, omdat artikel 3.6 van het Vb en artikel 3.6a van het Vb niet van toepassing zijn op dit verblijfsdoel.
Beroep op artikel 4:48 van Pro de Awb
14. Verweerder heeft mogen concluderen dat hij geen gebruik heeft hoeven maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van Pro de Awb. Verweerder heeft zich in het licht van het voorgaande op het standpunt mogen stellen dat er niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot het gevoerde toelatingsbeleid.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
16. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] .
17. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 17 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.In de zin van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
4.In de zin van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb.)
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
6.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001.
7.Zie in dit kader de uitspraak van het Hof van Justitie van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:632, punt 80 (Yön).
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.