ECLI:NL:RBDHA:2026:10445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3119
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 8 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering terugkeerpunt Syrië

Eiser heeft op 13 november 2024 een asielaanvraag ingediend die door de minister op 12 januari 2026 werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 behandeld en oordeelt dat de afwijzing niet in stand kan blijven.

De kern van het geschil betreft de vraag waar eiser in Syrië zijn normale woon- en verblijfplaats had. Eiser woonde zijn hele leven in Deir ez-Zor, terwijl de minister uitgaat van Idlib, waar de ouders van eiser pas na zijn vertrek naartoe zijn gegaan. De rechtbank stelt vast dat de minister dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de enkele vaststelling dat de ouders nu in Idlib wonen niet voldoende is om dit als normale woonplaats van eiser aan te merken.

Daarnaast heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een beschermingsalternatief in Idlib, omdat niet is beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor een gegronde vrees voor vervolging heeft en of hij zich veilig in Idlib kan vestigen.

De rechtbank concludeert dat sprake is van een motiveringsgebrek en verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over de normale woon- en verblijfplaats van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3119

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vanwege de oorlog en uit angst om gerekruteerd te worden door het Syrische leger, Syrië heeft verlaten. Daarnaast heeft eiser verklaard dat - na eisers vertrek uit Syrië - zijn nichtje is verkracht door een neef. Hierop heeft eisers vader aangifte gedaan van de verkrachting, eisers nichtje bij eisers oma weggehaald en de zorg van eisers nichtje op zich genomen. Eisers vader werd vervolgens bedreigd door een andere neef. Hierop is eisers vader met zijn gezin van Deir Ez Zor naar Idlib gegaan. Eisers vader is bedreigd met de dood en eiser denkt dat hij misschien ook wel gedood wordt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Doodsbedreigingen die eisers vader heeft ontvangen.
4.1.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Eisers verklaring dat zijn vader doodsbedreigingen heeft ontvangen nadat hij aangifte heeft gedaan tegen een neef die eisers nichtje heeft verkracht, is niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De vrees die eiser daarvoor heeft is niet aannemelijk geacht.
Overwegingen rechtbank
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld waarnaartoe eiser moet terugkeren in Syrië.
5.1.
De minister stelt zich in de besluitvorming op het standpunt dat van eiser verwacht wordt dat hij zich bij zijn ouders voegt in Idlib. [2] De minister heeft dit standpunt op de zitting herhaald en bevestigd. Eiser betoogt daarentegen dat hij tot zijn vertrek in Deir ez-Zor heeft gewoond en dit als zijn normale woon- en verblijfsplaats moet worden aangemerkt. Pas als blijkt dat eiser niet naar zijn normale woon- en verblijfsplaats kan terugkeren, kan de minister zich wellicht gemotiveerd op het standpunt stellen dat er een vestigingsalternatief is in Idlib. [3]
5.2.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] het deelgebied waar de desbetreffende vreemdeling afkomstig is, het gebied is waar die vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfsplaats had. [5] Daarvoor is niet alleen van belang hoe lang hij daar verbleef, maar ook onder welke omstandigheden.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn hele leven in Deir ez-Zor heeft gewoond. Zijn ouders zijn pas na zijn vertrek uit Syrië naar Idlib gegaan. [6] De minister betwist dit niet. De rechtbank overweegt dat de minister in de besluitvorming en op de zitting niet heeft onderbouwd of heeft kunnen uitleggen wat maakt dat uitgegaan moet worden van Idlib als normale woon- en verblijfplaats van eiser. De enkele vaststelling dat de ouders van eiser daar nu wonen, is daarvoor onvoldoende. Dat het asielmotief van eiser volgens de minister niet geloofwaardig is en daarom niet relevant is waar eiser naartoe moet terugkeren volgt de rechtbank niet. De vraag wat als normale woon- en verblijfplaats van eiser heeft te gelden is namelijk ook van invloed op de vraag of in het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is zich een 15c-situatie voordoet. [7] Aangezien de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat Idlib de normale woon- of verblijfplaats van eiser is, heeft de minister in de besluitvorming en op de zitting niet zonder meer kunnen concluderen dat de door eiser overgelegde bronnen over Deir Ez-Zor in dit geval niet relevant zijn omdat eiser terug moet keren naar Idlib.
Daarnaast is de vraag wat als normale woon- en verblijfsplaats moet worden aangemerkt ook relevant voor de beoordeling van de vrees voor rekrutering van eiser. In de besluitvorming is erop gewezen dat Idlib niet behoort tot de DAANES-regio. De minister heeft niet gemotiveerd of ditzelfde geldt voor de plaats Kesra, nabij Deir ez-Zor, waar eiser zijn hele leven heeft gewoond. [8] De beroepsgrond slaagt.
5.4.
De minister heeft zich op de zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat Idlib voor eiser heeft te gelden als beschermingsalternatief. De rechtbank stelt voorop dat pas sprake kan zijn van een beschermingsalternatief als sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in Deir ez-Zor en eiser zich daaraan kan onttrekken door zich in Idlib te vestigen. [9] De rechtbank overweegt dat de minister geen beoordeling heeft gemaakt of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Voor zover de minister stelt dat wel uitgegaan moet worden van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico van ernstige schade bij terugkeer naar Deir ez-Zor, overweegt de rechtbank dat de minister op de zitting niet heeft gemotiveerd dat eiser aan alle genoemde voorwaarden voor een beschermingsalternatief voldoet zoals neergelegd in zijn beleid. [10] Zo is niet gemotiveerd of eiser op een veilige en wettige manier kan reizen en toegang kan verkrijgen tot Idlib. De beroepsgrond slaagt.
5.5.
Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarnaartoe eiser moet terugkeren. De beroepsgronden behoeven voor het overige daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Bestreden besluit, p. 3.
3.Als bedoeld in artikel 8 van Pro de Kwalificatierichtlijn.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940.
6.Aanmeldgehoor, 17 november 2024, p. 6 en 7 en nader gehoor, p. 5 en 10.
7.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:1080, r.o. 2.1.1., 22 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1428, r.o. 2.8.1. en 18 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:357, r.o. 1.1.
8.Aanmeldgehoor, 17 november 2024, p. 6-7 en correcties en aanvullingen op aanmeldgehoor.
9.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243, r.o. 2.1.
10.Paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
11.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1.