ECLI:NL:RVS:2010:BO8940

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201007945/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 15 aanhef en onder c Richtlijn 2004/83/EGArtikel 8:54, eerste lid, Algemene wet bestuursrechtArtikel 85, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling asielaanvraag en toepassing artikel 15 richtlijn in context provincie Jubbada Hoose

De vreemdeling, geboren in Mogadishu en woonachtig in een plaats in de provincie Jubbada Hoose tot juli 2009, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG, dat bescherming biedt bij uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld in een deelgebied van het land van herkomst. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank haar overwegingen ten onrechte niet had toegespitst op de provincie Jubbada Hoose, waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had.

Desalniettemin concludeerde de Raad van State dat de situatie in Jubbada Hoose ten tijde van het besluit niet wezenlijk afweek van eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat geen uitzonderlijke situatie bestond. De grief faalde, het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de motivering.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van een juiste regionale beoordeling bij toepassing van artikel 15 van Pro de richtlijn in asielzaken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201007945/1/V2.
Datum uitspraak: 16 december 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 augustus 2010 in zaak nr. 09/38269 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 augustus 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 3 klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten tijde van het besluit geen sprake was van een situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn). Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank aldus niet onderkend dat de minister heeft erkend dat in het gebied waar hij vandaan komt sprake is van een binnenlands gewapend conflict.
2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 3 april 2008 in zaak nr. 200701108/1, 13 juli 2009 in zaak nr. 200707865/1/V2, 25 januari 2010 in zaak nr. 200909886/1/V2 en 26 januari 2010 in zaak nr. 200905017/1/V2; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat bij de toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, indien zich niet in alle delen van het desbetreffende land van herkomst een situatie als in die bepaling beschreven voordoet, moet worden bezien uit welk duidelijk te onderscheiden deelgebied de vreemdeling afkomstig is en of zich in dat deelgebied een dermate hoge mate van willekeurig geweld voordoet in het kader van het aan de gang zijnde gewapende conflict dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar dat gebied aldaar, louter door zijn aanwezigheid, een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 november 2010, nr. 201005898/1/V2, www.raadvanstate.nl) vloeit voorts voort dat het deelgebied waaruit de desbetreffende vreemdeling afkomstig is het gebied is waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats had.
2.1.2. De vreemdeling heeft tijdens het eerste gehoor verklaard in [geboortejaar] te zijn geboren in Mogadishu en dat hij van 1985 tot en met juni 2009 in [plaats] heeft gewoond, gelegen in de provincie Jubbada Hoose. Ook tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat [plaats] zijn verblijfplaats in Somalië was. De vreemdeling heeft verder verklaard in juli 2009 uit Somalië te zijn vertrokken. Deze verklaringen heeft de staatssecretaris niet uitdrukkelijk bestreden, zodat thans van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Gezien deze verklaringen, had de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit Somalië zijn normale woon- en verblijfplaats in de provincie Jubbada Hoose.
Gelet hierop, alsmede in het licht van de hiervoor onder 2.1.1. weergegeven jurisprudentie, dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in dit geval beoordeeld te worden in de context van de provincie Jubbada Hoose. De rechtbank heeft haar overwegingen inzake deze bepaling derhalve ten onrechte niet toegespitst op Jubbada Hoose.
Dit laat evenwel onverlet dat uit hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd niet is af te leiden dat de situatie in Jubbada Hoose ten tijde van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de uitspraak van 22 november 2010 in zaak nr. 200908977/1/V2, www.raadvanstate.nl, aan de orde was, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de staatssecretaris in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in de provincie Jubbada Hoose niet een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn voordeed. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit geen sprake was van een situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De grief faalt.
2.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van Loo
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2010
418.
Verzonden: 16 december 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser