Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/5942 en AWB 24/5943
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 VerblijfsrichtlijnArt. 3.29 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende bewijs voor schijnhuwelijk bij aanvraag verblijfsdocument EU/EER

Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar echtgenoot, een Italiaans staatsburger, te verblijven. De minister stelde een onderzoek in naar een mogelijk schijnhuwelijk en wees de aanvraag af op basis van tegenstrijdige verklaringen en andere indicatoren. Eiseres betwistte de rechtmatigheid van het onderzoek en voerde aan dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een schijnhuwelijk.

De rechtbank beoordeelde de wettelijke kaders rond schijnhuwelijken en de bewijslast die bij de minister ligt. De minister moest een overtuigend dossier samenstellen op basis van meerdere individuele indicatoren. De rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de gehanteerde indicatoren, zoals het moment van aanvraag, woonsituatie, leeftijdsverschil en illegaal verblijf, een gegrond vermoeden van misbruik vormden.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde het besluit. De minister kreeg zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerd gegrond vermoeden van schijnhuwelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/5942 (beroep)
AWB 24/5943 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres

(gemachtigde: mr. S.S. Jangali),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Eiseres heeft op 7 mei 2022 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 24 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op haar beroep is beslist. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H. Abdulla als tolk in de Engelse taal, [persoon] (referent) en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de argumenten die daartoe zijn aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna zal zij verder toelichten hoe tot dat oordeel gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Achtergrond
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER om te verblijven bij referent, haar echtgenoot die de Italiaanse nationaliteit heeft. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft de minister besloten om een onderzoek in te stellen, door middel van een simultaan gehoor, naar een mogelijk schijnhuwelijk. Eiseres en referent (betrokkenen) zijn op 20 december 2022 beiden gehoord.
4. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag afgewezen. Volgens de minister zijn er voldoende indicatoren die het onderzoek naar de relatie van eiseres en referent rechtvaardigen. Uit de gehoren komen volgens de minister tegenstrijdige en onjuiste verklaringen over de relatie die betrokkenen hebben naar voren. Er wordt dan ook getwijfeld aan de oprechtheid van het huwelijk. De minister concludeert dat gelet op de verklaringen en de overgelegde stukken eiseres en referent een huwelijk zijn aangegaan met als enig doel het verkrijgen van een verblijfsrecht [1] .
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe – kort gezegd – primair aan dat het bewijs dat is verkregen uit de gehoren onrechtmatig is. Subsidiair stelt eiseres dat er onvoldoende indicatoren waren om onderzoek in te stellen naar de relatie van betrokkenen. Meer subsidiair vindt eiseres dat zij en referent geloofwaardig hebben verklaard over hun relatie en dat uit die verklaringen niet blijkt dat er sprake is van een schijnhuwelijk.
Beoordeling van het beroep
Schijnhuwelijk – juridisch kader
6.1.
In de Richtsnoeren [2] is een schijnhuwelijk omschreven als een huwelijk dat is aangegaan met als enig doel het in de Verblijfsrichtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. In artikel 35 van Pro de Verblijfsrichtlijn staat dat de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om de rechten uit die richtlijn te ontzeggen in geval van een schijnhuwelijk. Een huwelijk kan niet als schijnhuwelijk worden beschouwd alleen omdat het een immigratievoordeel of een ander voordeel oplevert. De kwaliteit is irrelevant voor de toepassing van artikel 35 van Pro de Verblijfsrichtlijn.
6.2.
De Afdeling [3] heeft geoordeeld dat artikel 35 van Pro de Verblijfsrichtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 8.29 van het Vb [4] , de lidstaten de bevoegdheid geeft om maatregelen te nemen om het recht dat neergelegd is die richtlijn, te ontzeggen. Dat is een grondslag voor het maken van een uitzondering op het beginsel van vrij verkeer en verblijf voor Unieburgers en hun familieleden. De bewijslast dat er rechtsmisbruik of fraude is gepleegd, rust op de minister. De maatregelen daartoe rusten op een individueel onderzoek van het concrete geval en systematische en willekeurige controles zijn niet toegestaan. In de Richtsnoeren is de bevoegdheid voor de lidstaten om in individuele gevallen een onderzoek in te stellen, welk onderzoek een afzonderlijk onderhoud met elk van de partners kan omvatten, afhankelijk gesteld van een gegrond vermoeden van misbruik.
6.3.
In de Richtsnoeren en in artikel 3.29 van het Vb zijn indicatieve criteria vastgesteld die gegrond doen vermoeden dat de door de Verblijfsrichtlijn verleende rechten waarschijnlijk zijn misbruikt met als enig doel om inbreuk te maken op de nationale immigratiewetgeving. De lidstaten mogen zich niet baseren op een enkel element, er moet aandacht zijn voor het individuele geval. De bewijslast rust dus op de minister en die moet een overtuigend dossier samenstellen aan de hand van individuele criteria. De rechtbank gaat na of het bewijs van misbruik is geleverd.
6.4.
De minister heeft in het beleid [5] een aantal punten opgenomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling. Deze informatie gaat over:
de duur, het moment van de totstandkoming en de beëindiging alsmede de aard van de relatie tussen de hoofdpersoon en de vreemdeling;
de woonsituatie, de gemeenschappelijkheid van het huishouden en bijbehorende aanzienlijke en langlopende juridische en financiële verplichtingen;
aanwijzingen dat er geen of onvoldoende persoonlijke relatie bestaat of heeft bestaan tussen de hoofdpersoon en de vreemdeling;
bewijs dat er een ongebruikelijk hoog geldbedrag is betaald of een gift is gedaan voor het sluiten van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, partnerschap of de adoptie;
bewijs van een of meer eerdere schijnhuwelijken, geregistreerd schijnpartnerschappen, schijnpartnerschappen of schijnadopties of ander misbruik of fraude met het oog op het verkrijgen van een verblijfsrecht;
het moment van de totstandkoming of de beëindiging van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, het partnerschap of de adoptie ten opzichte van het moment van verlening van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling; of
ervaringsgegevens die zijn gebaseerd op representatief dossieronderzoek, mits deze op objectieve wijze worden toegepast.
6.5.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de primaire beroepsgrond van eiseres, dat er geen wettelijke basis aanwezig was voor het simultaan
horen en dat het gevolg daarvan is dat de verkregen informatie onrechtmatig is en daarom
niet toegestaan is voor het gebruik voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres, niet slaagt.
De indicatoren
7. De minister stelt zich op het standpunt dat er voldoende indicatoren zijn voor een gegrond vermoeden van misbruik, dat het onderzoek rechtvaardigt. Die indicatoren zijn:
1. Eiseres heeft langdurig illegaal in Nederland verbleven voordat zij de aanvraag heeft ingediend. Zij is in 2018 Nederland al ingereisd.
2. Eiseres en referent stellen een relatie te hebben sinds 2020. Er is pas op 7 mei 2022 een aanvraag ingediend.
3. Eiseres en referent hebben na het huwelijk op 21 december 2021 nog vijf maanden
gewacht voordat zij een aanvraag hebben ingediend;
4. Er staan meerdere personen op het gezamenlijke adres ingeschreven
volgens de Basisregistratie Personen (BRP). Volgens openbare
informatie bestaat de woning uit een oppervlakte van 77m2.1 Gelet
op de oppervlakte van de woning is dit een kleine ruimte om met
meerdere personen te wonen. Dit roept vragen op over de
woonsituatie en de relatie die eiseres heeft met de personen die ook op
dit adres staan ingeschreven;
5. Referent is 13 jaar ouder dan eiseres.
7.1.
Met betrekking tot de tweede en de derde indicator, die gaan over het moment van de aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom die indicatoren zijn die een gegrond vermoeden onderbouwen. De rechtbank is het met eiseres eens dat als er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk, het juist voor de hand zou liggen dat er direct na het sluiten van het huwelijk of het aangaan van de relatie een aanvraag zou zijn ingediend. De rechtbank volgt daarbij ook de aanwijzingen in de Richtsnoeren waaruit juist blijkt dat als betrokkenen al lang een relatie hebben, dit een ‘positieve’ indicatie kan zijn dat zij geen misbruik maken van het recht. De toelichting van de minister ter zitting dat het zou kunnen duiden op het rekken van tijd om het een en ander af te stemmen volstaat niet. Naar het oordeel van de rechtbank is die motivering onvoldoende om een gegrond vermoeden van misbruik aan te nemen.
7.2.
Eiseres voert verder aan dat haar woonsituatie geen blijk geeft van een schijnhuwelijk. Zij voert aan dat zij destijds met twee anderen (betrokkenen wonen inmiddels met zijn tweeën in een eigen appartement) woonde in een appartement in Amsterdam Zuidoost. Ook gelet op de situatie op de woningmarkt in Amsterdam heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat dit een indicatie is van een schijnhuwelijk.
7.3.
De rechtbank kan eiseres daarin volgen. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft gespecificeerd hoeveel mensen er stonden ingeschreven op het adres, anders dan dat het er meerdere personen zijn. Het is niet uitgesloten dat er mensen ingeschreven stonden op het adres die daar feitelijk niet meer woonden. Verder ziet de rechtbank niet in dat vier bewoners in een huurhuis van 77 m² in Amsterdam Zuidoost exponentieel veel is, en dat het een indicatie is voor een schijnhuwelijk. De motivering van de minister ter zitting dat uit ervaringsgegevens zou blijken dat dit een indicatie zou kunnen zijn voor een schijnhuwelijk, is ook verder niet onderbouwd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit de Memorie van Toelichting bij artikel 3.29 van het Vb blijkt dat om ervaringsgegevens ten grondslag te leggen aan die motivering, de minister die gegevens schriftelijk moet vastleggen en openbaar moet maken. Desgevraagd heeft de minister aangegeven dat deze ervaringsregels niet openbaar zijn gemaakt.
7.4.
Eiseres voert ook aan dat het leeftijdsverschil van dertien jaar tussen betrokkenen geen indicator is die duidt op een schijnhuwelijk. Eiseres was ten tijde van het huwelijk 27, referent was 40 jaar oud. Het is volgens hen niet ongebruikelijk, zeker niet in de Ghanese cultuur, dat er een leeftijdsverschil zit tussen mannen en vrouwen. De rechtbank kan eiseres ook in dit standpunt volgen. De minister heeft niet onderbouwd aan de hand van welke schriftelijk vastgelegde en openbaar gemaakte ervaringsgegevens deze indicator tot stand is gekomen. Verder is er ook niet gemotiveerd waarom in de context van de relatie tussen betrokkenen deze indicator een rol zou spelen voor het vaststellen van een schijnhuwelijk. Het leeftijdsverschil vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen indicator die het onderzoek rechtvaardigt.
7.5.
De rechtbank overweegt dat met betrekking tot het illegale verblijf van eiseres niet in geschil is dat zij in 2018 Nederland is ingereisd en dat zij in Nederland is gebleven zonder verblijfsvergunning. Eiseres heeft tot aan het primaire besluit geen verwijderingsbesluit ontvangen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat deze enkele indicator onvoldoende als indicator voor een schijnhuwelijk dat een onderzoek rechtvaardigt.
7.6.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende indicatoren waren voor de minister die een gegrond vermoeden vormen dat er sprake is van een schijnhuwelijk. De minister heeft met de gegeven indicatoren onvoldoende gemotiveerd dat aan de bewijslast is voldaan om onderzoek te mogen instellen naar de relatie van betrokkenen. De beroepsgrond slaagt.
8. Het beroep is al hierom gegrond en daarom behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het griffierecht aan eiseres vergoeden in beide zaken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/5942,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/5943:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 374,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Ook wel het in de Richtlijn 2004/38/EG (de Verblijfsrichtlijn) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten.
2.De richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Verblijfsrichtlijn betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de burgers van de Unie en hun familieleden (de Richtsnoeren) onder 4.2.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in de uitspraak van 3 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1874.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.In artikel 3.29, eerste lid, onder b, van het Vb.