Eiser diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen op grond van de Ivoriaanse nationaliteit van eiser. Eiser stelde dat hij naast de Ivoriaanse ook de Guinese nationaliteit bezit, wat relevant zou zijn voor zijn asielmotieven. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd voor de Guinese nationaliteit en dat de minister terecht uitging van de Ivoriaanse nationaliteit.
De rechtbank stelde vast dat de Ivoriaanse wetgeving bepaalt dat de nationaliteit via de moeder wordt doorgegeven en dat eiser in zijn eerste asielprocedure in 2017 ook de Ivoriaanse nationaliteit heeft verklaard. De gestelde problemen in Guinee zijn niet relevant voor de asielaanvraag, die aan het beleid van Ivoorkust wordt getoetst.
Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ivoorkust een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank nam het tijdsverloop van de problemen mee en vond onvoldoende bewijs dat dezelfde problemen zich bij terugkeer zullen voordoen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.