Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL25.58899
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 onder a VwArt. 31 lid 6 onder b VwArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 3.108d VbArt. 16 Richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid identiteit en asielmotieven

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 25 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 25 november 2025 af wegens ongeloofwaardigheid van de identiteit en tegenstrijdigheden in het asielrelaas.

De rechtbank behandelde het beroep op 30 maart 2026 en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser zijn identiteit niet geloofwaardig had onderbouwd, ondanks het overleggen van een kopie van zijn geboorteakte. Tevens werden de vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen onvoldoende onderbouwd en niet aan eiser voorgehouden, waardoor het recht op hoor en wederhoor werd geschonden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast werd eiser een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.58899
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1987, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. Eiser heeft op 25 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 25 november 2025 afgewezen als ongegrond.
1.2.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft de zaak op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van beide partijen, eiser en de heer Onwuegbuchu als tolk in de Engelse taal.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de door eiser aangevoerde argumenten, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij heeft in 2010 meerdere keren ruzie gekregen met zijn huisbaas. Eiser bewoonde een kamer in het huis van de huisbaas en gaf volgens hem veel overlast. Zijn huisbaas wilde dat hij zou vertrekken maar eiser weigerde omdat zijn huurtermijn nog niet was afgelopen. Naar aanleiding hiervan heeft de huisbaas valse aangifte gedaan tegen eiser, waarin hij eiser beschuldigde van het verkrachten van zijn dochter. Eiser is hierdoor in september 2010 gearresteerd. Hij heeft drie jaar lang zijn proces moeten afwachten in de gevangenis. In juni 2013 is eiser tijdens een inval van Boko Haram uit de gevangenis ontsnapt en gevlucht naar Lagos. Na een aantal weken ondergedoken te zijn geweest, heeft eiser illegaal Nigeria verlaten.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen vanwege een valse beschuldiging.
4.1.
Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers identiteit is volgens verweerder ongeloofwaardig. Hij heeft geen identificerende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. [1] Eiser heeft namelijk tijdens het aanmeldgehoor verklaard geen documenten te hebben gehad. Tijdens het nader gehoor verklaart hij echter dat hij wel in het bezit is van een geboorteakte, maar dat deze nog in Italië ligt. Verder acht verweerder de problemen vanwege de valse beschuldiging door de huisbaas ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk zijn asielrelaas onvoldoende onderbouwd met documenten en heeft daartoe geen oprechte inspanningen geleverd. [2] Daarnaast heeft eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk verklaard. [3] Volgens verweerder komt wat eiser heeft verklaard tijdens gehoor bij de AVIM [4] namelijk niet geheel overeen met zijn opgegeven asielmotief in de asielgehoren. Eiser heeft bij de AVIM verklaard dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij op zoek is naar bescherming, dat hij wordt gezocht in Nigeria omdat hij ervan is beschuldigd dat hij zijn zuster heeft verkracht en dat de mensen in zijn dorp hebben gezegd hem dood te willen maken. In het nader gehoor heeft eiser echter niet verklaard dat hij ook vreest voor de mensen uit zijn dorp. Verweerder acht dit tegenstrijdig. Daarnaast werpt verweerder tegen dat eiser bij de AVIM heeft verklaard dat hij wordt beschuldigd van verkrachting van ‘zijn zuster’, terwijl hij in het nader gehoor verklaard dat het om de dochter van zijn huisbaas ging. Ook dit acht verweerder tegenstrijdig. Tot slot werpt verweerder tegen dat eiser heeft verklaard dat de aanval van Boko Haram op de gevangenis op 13 juni 2013 was, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat deze aanval op 30 juni 2013 plaatsvond.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling [5] die verweerder hanteert strijd oplevert met het Unierecht. Hij verwijst daarbij naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 [6] en betoogt dat de beantwoording van de prejudiciële vragen moet worden afgewacht.
5.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM [7] strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [8] De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 [9] en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is.
5.2.
De rechtbank ziet daarom in de huidige zaak geen reden om de beantwoording van prejudiciële vragen af te wachten. Verweerder is wel gehouden om in overeenstemming met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, na de toetsing van de vijf cumulatieve voorwaarden, alle omstandigheden in samenhang te beoordelen, en pas dan tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De rechtbank zal hierna aan de hand van de overige beroepsgronden beoordelen of verweerder dat voldoende kenbaar heeft gedaan.
Identiteit
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft geacht, enkel omdat hij geen originele documenten heeft overgelegd. Hierbij is van belang dat eiser in de zienswijze een kopie van zijn geboorteakte heeft overgelegd. Verweerder heeft deze ten onrechte niet betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn identiteit onvoldoende heeft onderbouwd met documenten en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Allereerst heeft verweerder de kopie van de geboorteakte onvoldoende kunnen achten om de identiteit geloofwaardig te achten. Dit volgt uit WI 2024/6 van verweerder. [10] Daarbij heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt waar zijn originele geboorteakte is en waarom hij die niet heeft kunnen overleggen. Hij heeft enerzijds in het nader gehoor verklaard dat hij een geboorteakte heeft die bij zijn vrouw in Italië ligt. Vervolgens heeft hij in de zienswijze gesteld dat hij de geboorteakte heeft opgevraagd in Nigeria. Hij legt daarbij een kopie van de geboorteakte over en stelt dat hij het origineel op korte termijn verwacht te ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waar de originele geboorteakte is, welke pogingen hij heeft gedaan om het origineel in handen te krijgen en waarom dat niet is gelukt. Verweerder heeft daarom mogen oordelen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Tegenstrijdigheden
Inleiding
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn gevangenneming naar aanleiding van de valse beschuldiging ongeloofwaardig heeft geacht.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen waardoor eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verweerder wijst in dat kader op drie tegenstrijdigheden in zijn verklaringen tijdens het verhoor bij de AVIM en de gehoren bij verweerder.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het gehoor bij de AVIM is niet bedoeld om asielmotieven in kaart te brengen. Het betreft, in het geval van eiser, een gehoor op het aanmeldcentrum Ter Apel door een agent van de politie belast met het toezicht op vreemdelingen. Uit artikel 3.108d van het Vb [11] volgt dat eventuele tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas geen gevolgen mogen hebben voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Uit de WI 2021/8 Aanmeldgehoren volgt dat verklaringen die niet zijn afgelegd naar aanleiding van een korte uitvraag naar de asielmotieven wél kunnen worden betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Dat geldt volgens de werkinstructie ook voor verklaringen die vreemdeling uit zichzelf heeft afgelegd bij ketenpartners, ongeacht of die over de redenen waarom hij asiel aanvraagt gaan. Het is daarbij van belang, zoals blijkt uit het Unierecht [12] , dat verweerder vermeende tegenstrijdigheden voorhoudt aan de vreemdeling tijdens het asielgehoor. Daarnaast is van belang dat verweerder rekening houdt met de context waarin een verklaring is afgelegd. Een korte navraag naar de reden dat een vreemdeling naar Nederland is gekomen heeft daarin een andere waarde dan het nader gehoor waarin de vreemdeling uitgebreid in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielmotieven bespreken.
7.2.
Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er daadwerkelijk sprake is van tegenstrijdigheden. De rechtbank zal de drie tegengeworpen tegenstrijdigheden hierna bespreken.
Bespreking van de drie tegenstrijdigheden
7.3.
Ten eerste werpt verweerder tegen dat eiser bij de AVIM heeft verklaard dat hij wordt beschuldigd van verkrachting van ‘zijn zuster’, terwijl hij in het nader gehoor verklaard dat het om de dochter van zijn huisbaas ging. Eiser heeft aangevoerd dat het woord ‘sister’ een aanspreektitel is in Nigeria die routinematig worden gebruikt als beleefde en sociaal significante aanspreekvorm. Het gebruik door eiser van de term “sister” voor de vrouwelijke huisgenoot is daarom cultureel normaal en zegt op zichzelf weinig over de mate van persoonlijke intimiteit of familierelatie. Op de door eiser aangevoerde verklaring reageert verweerder alleen met de opmerking dat dit vragen oproept gezien de context van de rest van eisers verklaringen tijdens het gehoor bij de AVIM. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat die vragen zijn, en waarom eiser, die op de zitting verklaarde geen zus te hebben, hiermee geen afdoende verklaring heeft gegeven om deze tegenstrijdigheid weg te nemen.
7.4.
Ten tweede vindt verweerder het tegenstrijdig dat eiser bij de AVIM heeft verklaard dat hij ook vreest voor de mensen uit zijn dorp, terwijl eiser die vrees in de gehoren niet meer noemt. De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaring tegenover de AVIM ook anders gelezen kan worden. Eiser heeft namelijk bij de AVIM verklaard: ‘
in het dorp waar ik vandaan kom hebben ze gezegd dat ze mij dood willen maken’ [13] . Het is daarbij onduidelijk wie ‘ze’ zijn. Met “ze” kunnen ook de autoriteiten in Nigeria worden bedoeld. In het nader gehoor verklaart eiser dat hij de autoriteiten vreest. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser daadwerkelijk tegenstrijdig heeft verklaard.
7.5.
Ten derde werpt verweerder tegen dat eiser heeft verklaard dat de aanval van Boko Haram op de gevangenis waarin hij opgesloten zat, op 13 juni 2013 was, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat deze aanval op 30 juni 2013 plaatsvond. De rechtbank vast dat tijdens het nader gehoor zowel de datum 30 juni 2013 [14] als de datum 13 juni 2013 [15] is vertaald. Eiser heeft betoogd dat dit niet correct is vertaald omdat dertig en dertien in het Pidgin Engels erg op elkaar lijken. De gemachtigde van eiser heeft verteld dat hij bij het bespreken van het nader gehoor het verschil eveneens niet heeft gehoord en het daarom niet heeft kunnen corrigeren in de correcties en aanvullingen op het gehoor. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze, naar het oordeel van de rechtbank aannemelijke, verklaring deze tegenstrijdigheid niet kan wegnemen. Het standpunt van verweerder dat eiser dit niet heeft gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, is onvoldoende om deze tegenstrijdigheid aan eiser tegen te werpen.
Conclusie ten aanzien van de tegenstrijdigheden
7.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in alle drie de gevallen onvoldoende heeft gemotiveerd dat er daadwerkelijk sprake is van tegenstrijdige verklaringen. Bovendien heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de AVIM, ondanks het bepaalde in artikel 3.108d van het Vb, aan eiser mogen worden tegengeworpen. Daarbij komt nog dat verweerder geen van de drie tegenstrijdigheden aan eiser heeft voorgehouden tijdens de gehoren. Op grond van artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn diende verweerder eiser in de gelegenheid te stellen om uitleg te geven over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Dit alles maakt deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolg

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak, en stelt daarvoor een termijn van zes weken;
  • bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.
L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder a en b, van de Vw.
3.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
4.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Vervat in de Werkinstructie (WI) 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
8.Richtlijn 2011/95/EU.
10.Zie artikel 4.1 van WI 2024/6 van verweerder.
11.Vreemdelingenbesluit 2000.
12.Artikel 16 van Pro de Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn).
13.Pagina 2 van het proces-verbaal bij de Kmar.
14.Het nader gehoor, pagina 18.
15.Het nader gehoor, pagina 11.