ECLI:NL:RBDHA:2026:10580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL25.40198 en NL25.40200
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking asielbesluiten Iran

Verzoekers hadden beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie van 19 augustus 2025 betreffende hun opvolgende asielaanvragen van 27 maart 2023. De minister trok deze besluiten op 15 april 2026 in vanwege het geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. Vervolgens trokken verzoekers hun verzoeken om voorlopige voorziening in en verzochten om vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat intrekking van besluiten vanwege een veranderde omstandigheid, zoals het besluit- en vertrekmoratorium, niet gelijkstaat aan een tegemoetkoming aan verzoekers. Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een dergelijk moratorium als een veranderde omstandigheid moet worden beschouwd.

Daarom is geen sprake van tegemoetkoming en wijst de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking asielbesluiten wegens moratorium wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.40198 en NL25.40200

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , verzoekers
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken van verzoekers om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun verzoeken om voorlopige voorziening tegen de besluiten van verweerder van 19 augustus 2025 op hun opvolgende asielaanvragen van 27 maart 2023. Verzoekers hadden beroep ingesteld tegen het besluit van 19 augustus 2025.
Verweerder heeft de bestreden besluiten op 15 april 2026 ingetrokken. Verzoekers hebben vervolgens hun verzoeken om voorlopige voorziening ingetrokken. Zij hebben daarbij verzocht om verweerder te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3. Verweerder heeft in zijn brief van 15 april 2026 toegelicht dat de reden voor de intrekking van de bestreden besluiten is gelegen in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. Dat wil niet zeggen dat er aan verzoekers is tegemoetgekomen. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [3] volgt dat van tegemoetkoming geen sprake is als de intrekking van een besluit het gevolg is van een veranderde omstandigheid, en dat een besluit- en vertrekmoratorium moet worden aangemerkt als een veranderde omstandigheid.
4. Verweerder is dus met de intrekking van de bestreden besluiten niet aan verzoekers tegemoetgekomen. Daarom wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4461.