ECLI:NL:RBDHA:2026:1067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2014
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens voortvarendheid en zicht op uitzetting

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds getoetst en verklaarde deze op 16 december 2025 rechtmatig tot dat moment. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank beoordeelde of de minister voldoende voortvarend handelde bij de uitzetting van eiser. De minister had meerdere rappels gestuurd aan de Egyptische autoriteiten en vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Hoewel geen nader onderzoek was gedaan naar het boeken van een vlucht met een verlopen paspoort, achtte de rechtbank dit onvoldoende om voortvarendheid te betwijfelen.

Daarnaast stelde eiser dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn vanwege het uitblijven van een laissez-passer van Egypte. De rechtbank oordeelde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden werd voldaan, mede omdat de Egyptische autoriteiten nog niet hadden geweigerd een laissez-passer te verstrekken en eiser niet meewerkte aan zijn uitzetting.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2014

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 26 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank beslist op het eerste beroep. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [2]

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 9 december 2025.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft namelijk geen onderzoek gedaan of een gesprek gevoerd met de luchtvaartmaatschappij over de mogelijkheid om met een verlopen paspoort een vlucht te kunnen boeken. Daarnaast dient de minister de Egyptische autoriteiten te informeren dat eiser in detentie zit en op zaaksniveau te rappelleren.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp). Daarbij is niet gebleken dat niet wordt gerappelleerd zonder de lp-aanvraag van eiser te noemen. De rechtbank acht deze schriftelijke rappels daarom voldoende voor het voortvarend handelen. Daarnaast heeft de minister op 22 december 2025 en 2 januari 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister met bovenstaande handelingen voldoende voortvarend handelt. Verder acht de rechtbank het enkele feit dat de minister op dit moment nog geen nader onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid om een vlucht te boeken met het verlopen paspoort van eiser en het niet informeren over de inbewaringstelling van eiser, onvoldoende voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
Bestaat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Het is namelijk niet bekend wat de ervaringen met betrekking tot lp-afgiftes door Egypte zijn. De Egyptische autoriteiten hebben twee maanden na de aanvraag nog geen lp afgegeven en ook geen enkele terugkoppeling gegeven. Niet valt in te zien dat dit anders zal zijn na drie of vier maanden.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het is de rechtbank niet gebleken dat zicht op uitzetting naar Egypte in het algemeen ontbreekt. Ook in geval van eiser bestaat naar het oordeel van de rechtbank zicht op uitzetting. De lp-aanvraag van eiser is gedaan op 18 november 2025 en is nog in behandeling. Aan de autoriteiten van Egypte mag ook enige tijd gegund worden om te reageren op de lp-aanvraag. Daarbij is van belang dat de Egyptische autoriteiten nog niet hebben aangegeven geen lp te zullen verstrekken. Verder blijkt uit de vertrekgesprekken een niet meewerkende houding van eiser, hij verklaart namelijk dat hij niet terug wil naar Egypte en wil graag op een legale manier in Nederland verblijven. Eiser geeft echter ook aan geen aanvraag te willen doen voor een verblijfsvergunning. Van eiser mag wel verwacht worden dat hij zich inspant om zijn uitzetting te bespoedigen.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26901.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september