Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21585 en NL26.21605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen indiening lp-aanvragen voor asielzoekers vanwege non-refoulement risico

Verzoekers, christenen uit Pakistan, hadden asielaanvragen afgewezen gekregen en beroep ingesteld. De minister was voornemens lp-aanvragen in te dienen bij Pakistaanse autoriteiten, wat verzoekers wilden voorkomen met een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het delen van persoonsgegevens zoals achternamen en woonplaats in dit geval een asielgerelateerde strekking heeft, omdat verzoekers vanwege hun geloof en beschuldiging van blasfemie risico lopen op vervolging. Dit kan het beginsel van non-refoulement schenden en de effectiviteit van het beroep ondermijnen.

Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister geen lp-aanvragen mag indienen zolang de beroepen lopen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister het indienen van lp-aanvragen zolang de beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen lopen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21585 en NL26.21605

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , verzoekers

V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Procesverloop

1. Verweerder heeft met besluiten van 19 februari 2026 de asielaanvragen van verzoekers afgewezen. Verzoekers hebben hier beroep tegen ingesteld (zaaknummers NL26.13389 en NL26.13388).
1.1.
Op 16 april 2026 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat hij op 24 april 2026 aanvragen voor een laissez passer (hierna: lp-aanvraag) zal indienen bij de Pakistaanse autoriteiten.
1.2.
Verzoekers hebben op 16 april 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Verzoekers willen de indiening van de lp-aanvragen op 24 april 2026 voorkomen.
1.3.
Verweerder heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1] Na kennisname van de stukken en gelet op het feit dat verweerder voornemens is op 24 april 2026 de lp-aanvragen in te dienen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 22 april 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bepaald dat verweerder voorbereidende handelingen mag verrichten die gericht zijn op de terugkeer van asielzoekers nog voordat de rechter op hun beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvragen heeft beslist. Verweerder moet wel waarborgen dat een voorbereidende handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement en dat het rechtsmiddel tegen de afwijzing van de asielaanvraag effectief en doeltreffend is. Het is in beginsel toegestaan dat verweerder hangende beroep in het kader van een lp-aanvraag persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam, de geboortedatum en de woonplaats, van asielzoekers verstrekt aan de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. Voorwaarde daarvoor is wel dat verweerder daarbij zorgvuldig te werk gaat en een asielzoeker en zijn gemachtigde hangende beroep zo veel mogelijk betrekt in de lp-procedure. Om het beginsel van non-refoulement ten volle te kunnen waarborgen, moet een asielzoeker eventuele bezwaren tegen het indienen van een lp-aanvraag kenbaar kunnen maken bij verweerder. Persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam, de geboortedatum en de woonplaats, kunnen onder bepaalde omstandigheden namelijk op zichzelf al een asielgerelateerde of anderszins schadelijke strekking hebben. Ook moet een asielzoeker met zijn gemachtigde in de gelegenheid gesteld worden om een rechtsmiddel in te stellen om te voorkomen dat verweerder een lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. [3]
Standpunten van partijen
4. Verzoekers voeren aan dat zij christenen zijn en dat dit af te leiden is uit hun achternamen. [4] Zij hebben Engelse achternamen en deze namen zijn van oudsher gekoppeld aan het christelijke geloof van de oude kolonisator Engeland. Door de namen van verzoekers te delen met de Pakistaanse autoriteiten, geeft verweerder de religie van verzoekers prijs. De religie is asielgerelateerd, omdat verzoekster als asielmotief heeft aangevoerd dat zij beschuldigd is van blasfemie en hier zware straffen op staan. Verweerder heeft dit asielmotief ook geloofwaardig gevonden.
5. Verweerder verzet zich tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. Bij de lp-aanvragen zal niet bekend worden gemaakt dat verzoekers asiel hebben gevraagd in Nederland. Het indienen van de lp-aanvraag leidt tot niet een 3 EVRM-risico. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten door het delen van haar naam. Verzoekster heeft gesteld dat de dreiging voornamelijk uitgaat van niet-statelijke actoren en niet is gebleken dat zij in de persoonlijke negatieve aandacht van de Pakistaanse autoriteiten staat. Verweerder heeft een groot belang bij het indienen van de lp-aanvragen hangende het beroep, omdat dit geruime tijd in beslag kan nemen. Het niet kunnen indienen van de lp-aanvragen ontneemt het nuttig effect aan de Terugkeerrichtlijn.
Oordeel van de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter ziet allereerst aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat de indiening van de lp-aanvragen op 24 april 2026 zal plaatsvinden.
6.1.
Verweerder vindt het geloofwaardig dat verzoekster problemen heeft gehad vanwege een beschuldiging van godslastering in haar woonplaats Gurjanwala, maar heeft een vestigingsalternatief tegengeworpen. In beroep is in geschil of verweerder het vestigingsalternatief had mogen tegenwerpen, waarbij verzoekers er op hebben gewezen dat er ook vanuit de autoriteiten zware straffen staan op blasfemie. Daarnaast zijn christenen in Pakistan aangemerkt als risicoprofiel. [5] Verweerder heeft de stelling van de gemachtigde van verzoekers dat zij als christen herkenbaar zijn aan hun achternamen, niet weersproken. Hun namen zullen gedeeld worden bij de lp-aanvragen. Ook zal de woonplaats van verzoekers in Pakistan bij de lp-aanvragen gedeeld worden, terwijl verweerder heeft aangenomen dat verzoekster in die woonplaats een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de beschuldiging van godslastering. Verzoekers hebben erop gewezen dat de Pakistaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvragen mogelijk navraag naar hen zullen doen in hun woonplaats.
6.2.
Gelet op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder 6.1. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de persoonsgegevens die verweerder wil delen bij de lp-aanvragen, met name de achternamen en de woonplaats van verzoekers, in dit geval op zichzelf al een asielgerelateerde strekking hebben. Ook doen de lp-aanvragen mogelijk afbreuk aan de doeltreffendheid en effectiviteit van het beroep. In beroep is namelijk in geschil in hoeverre het risico bestaat dat de blasfemiebeschuldiging van verzoekster breder bekend wordt, ook bij de autoriteiten, en of gelet daarop een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. In dit geval kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten dat het indienen van de lp-aanvragen in strijd is met het beginsel van non-refoulement. De voorzieningenrechter zal daarom de voorlopige voorziening treffen dat verweerder geen lp-aanvragen voor verzoekers mag indienen bij de Pakistaanse autoriteiten zolang de beroepen tegen de afwijzing van hun asielaanvragen lopen.
6.3.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgen verzoekers een vergoeding van hun proceskosten. Op grond van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 934,-. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat verweerder geen lp-aanvragen voor verzoekers mag indienen bij de Pakistaanse autoriteiten zolang de beroepen lopen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 22 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5548.
4.Verzoekers verwijzen ter onderbouwing hiervan naar het Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan van december 2020, p. 15.
5.Zie paragraaf C7/27.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.