Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.53128 en NL25.49302
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit nr. 1/80artikel 8 EVRMartikel 8:81 Awbartikel 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant op grond van niet-naleving arbeidsvoorwaarden

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende kennismigrant, had een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant die door verweerder is ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2024, omdat eiser niet langer werkzaam was bij zijn referent en ook niet elders in dienst trad.

Eiser betoogde dat de intrekking in strijd was met het Turkse associatierecht (Besluit nr. 1/80) en dat verweerder een belangenafweging had moeten maken op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn privé- en familieleven in Nederland. Tevens stelde eiser dat hij niet gehoord was, wat in strijd zou zijn met de hoorplicht.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen werknemer was in de zin van het Besluit 1/80 en dat hij niet voldeed aan de arbeidsvereisten, waardoor de intrekking terecht was. Daarnaast faalden de beroepen op artikel 8 EVRM Pro en de hoorplicht omdat eiser geen concrete omstandigheden had aangevoerd die een ander oordeel zouden rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53128 en NL25.49302
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser met het besluit van 30 april 2025 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser had vanaf 18 mei 2023 een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant.’ Verweerder heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf
2 mei 2024, omdat eiser niet meer werkt bij zijn eerdere werkgever en hij ook niet ergens anders in dienst is getreden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is het bestreden besluit in strijd met het Turkse Associatierecht, omdat uit Besluit nr. 1/80 [1] volgt dat de rechtspositie van een Turkse onderdaan niet mag worden verslechterd zonder dat daar een zwaarwegende reden voor is. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder een belangenafweging moest maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, [2] omdat hij in Nederland privé- en familieleven heeft. Eiser voert aan dat het middelpunt van zijn leven in Nederland ligt, dat hij geen beroep doet op publieke middelen en dat hij geen banden meer heeft met Turkije. Verweerder moest eiser horen in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5. Eisers beroep op artikel 13 van Pro Besluit 1/80 slaagt niet. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat deze bepaling alleen van toepassing is als eiser ‘werknemer’ is in de zin van artikel 6 of Pro ‘gezinslid’ in de zin artikel 7 van Pro het Besluit 1/80. [3] Eiser is geen ‘werknemer’ in de zin van het Besluit 1/80. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser niet een jaar lang feitelijke (legale) arbeid in Nederland heeft verricht. Eiser is namelijk bij zijn referent werkzaam geweest van 22 mei 2023 tot 2 februari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat hij sindsdien opnieuw arbeid in loondienst heeft verricht. Evenmin is gesteld of gebleken dat eiser een ‘gezinslid’ is in de zin van Besluit 1/80. Verweerder mocht de verblijfsvergunning daarom intrekken met terugwerkende kracht tot het moment dat eiser niet meer aan de voorwaarden voldeed, dus tot 2 mei 2024. Eiser kan ook geen beroep doen op de standstillbepaling en de vraag of eiser zich aan enig frauduleus handelen schuldig heeft gemaakt, is in daarmee in deze procedure niet van belang.
6. Ook eisers beroepen op artikel 8 van Pro het EVRM en de hoorplicht slagen niet. In het kader van artikel 8 van Pro het EVRM heeft eiser in bezwaar en in beroep geen concrete omstandigheden of stukken naar voren gebracht waar verweerder rekening mee moest houden. Wat betreft het horen in bezwaar geldt dat hier pas van mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Nu er geen feiten en omstandigheden naar voren waren gekomen die aanknopingspunten gaven voor een gehoor, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eisers verblijfsvergunning mocht intrekken.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er niet langer sprake is van connexiteit. [4]
9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld overweging 4.1 de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1342).
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.