ECLI:NL:RBDHA:2026:10868
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant op grond van niet-naleving arbeidsvoorwaarden
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende kennismigrant, had een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant die door verweerder is ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2024, omdat eiser niet langer werkzaam was bij zijn referent en ook niet elders in dienst trad.
Eiser betoogde dat de intrekking in strijd was met het Turkse associatierecht (Besluit nr. 1/80) en dat verweerder een belangenafweging had moeten maken op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn privé- en familieleven in Nederland. Tevens stelde eiser dat hij niet gehoord was, wat in strijd zou zijn met de hoorplicht.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen werknemer was in de zin van het Besluit 1/80 en dat hij niet voldeed aan de arbeidsvereisten, waardoor de intrekking terecht was. Daarnaast faalden de beroepen op artikel 8 EVRM Pro en de hoorplicht omdat eiser geen concrete omstandigheden had aangevoerd die een ander oordeel zouden rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.