ECLI:NL:RBDHA:2026:11041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging in Algerije
Eiser, een Algerijnse jongvolwassene zonder familie in Algerije, verzocht op 21 november 2025 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees de aanvraag op 15 december 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging kon aantonen. Eiser voerde aan dat zijn ouderlijk huis was gesloopt zonder compensatie en dat hij door politiegeweld werd getroffen, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat de sociaaleconomische problemen van eiser niet vallen onder de beschermingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Het politiegeweld was algemeen en niet specifiek gericht op eiser, en er was geen bewijs van ernstige schade of negatieve aandacht van autoriteiten. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van het EHRM dat economische achteruitgang onvoldoende is voor bescherming onder artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije en dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.