ECLI:NL:RBDHA:2026:11081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
11907617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 6:230 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis en toewijzing schadevergoeding wegens wederzijdse dwaling bij aankoop tweedehands auto

De zaak betreft een geschil over de aankoop van een tweedehands Volkswagen door de geopposeerde van de opposant. Na aankoop bleek de auto een natte achterbank te hebben door een lekkage en was er sprake van verborgen schade aan het frame, wat door een garagebedrijf werd vastgesteld. De geopposeerde stelde dat hij de auto niet had gekocht als hij van het schadeverleden had geweten en vorderde vernietiging van de koopovereenkomst of wijziging daarvan.

De opposant betwistte het schadeverleden en stelde dat de schade na de koop was ontstaan. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van wederzijdse dwaling omdat beide partijen zich niet bewust waren van de schade ten tijde van de koop. De rechtbank stelde het nadeel van de geopposeerde vast op €1.500, een bedrag dat de koopprijs zou zijn verlaagd indien de schade bekend was geweest.

De rechtbank vernietigde het verstekvonnis en veroordeelde de opposant tot betaling van €1.500 plus wettelijke rente, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €225 en proceskosten van €632,50. Het subsidiaire beroep op non-conformiteit werd niet meer behandeld vanwege het slagen van het primaire beroep op dwaling.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de koopprijs wordt verlaagd met €1.500 wegens wederzijdse dwaling, met toekenning van incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 11907617 \ RL EXPL 25-18255
Vonnis van 12 maart 2026
in de zaak van
[opposant], handelend onder de naam ‘[handelsnaam]’,
te [woonplaats 1],
opposant,
hierna te noemen: ‘[opposant]’,
gemachtigde: mr. K. Tülü,
tegen
[geopposeerde],
te [woonplaats 2],
geopposeerde,
hierna te noemen: ‘[geopposeerde]’,
gemachtigde: mr. N. Claassen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van 29 april 2025,
- het verstekvonnis van 28 mei 2025 met zaaknummer 11704381 RL EXPL 25-9165,
- de verzetdagvaarding van 23 juli 2025 met producties,
- het herstelexploot van 22 september 2025,
- het herstelexploot van 1 oktober 2025,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de door [opposant] nagezonden productie 3.
Op 20 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak (hierna: zitting) plaatsgevonden. Aanwezig was [opposant], bijgestaan door mr. Tülü. [geopposeerde] heeft via een audioverbinding aan de zitting deelgenomen. Zijn gemachtigde, mr. Claassen, was in persoon aanwezig. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[geopposeerde] heeft op 28 december 2022 een Volkswagen gekocht van [opposant] voor een bedrag van € 14.800,00 (hierna: de auto).
2.2.
Na het in gebruik nemen van de auto bemerkte [geopposeerde] (onder meer) dat de auto vaak een natte achterbank had. Door [garagebedrijf 1] is geconstateerd dat de oorzaak van de natte achterbank gelegen was in een lekkage afkomstig uit de achterbak van de auto. Dit garagebedrijf heeft ook foto’s gemaakt van (het frame van) de auto. Die foto’s zijn als productie overgelegd.
2.3.
Op 14 januari 2023 heeft [geopposeerde] aan [handelsnaam] per WhatsApp het volgende bericht:
“[...] Het is twee weken geleden dat ik de auto bij jullie heb gekocht en inmiddels stuit ik op steeds meer mankementen, waar ik echt niet tevreden mee ben.
Nu zijn er weer twee bijgekomen. Namelijk de remschijven en een lekkage, wat ervoor zorgt dat de stoelen achterin helemaal nat zijn. [...]”
2.4.
In een e-mail van 5 maart 2024 van [garagebedrijf 2] aan [geopposeerde] is het volgende opgenomen:
“Beste [geopposeerde],
deze zou ik heel snel terugbrengen naar het bedrijf waar je hem gekocht hebt.
Helaas kan ik hier niks mee.”
2.5.
In een e-mail van 6 september 2024 van [garagebedrijf 2] aan mr. Claassen is het volgende opgenomen:
“[...] In deze heb ik inderdaad gezegd dat wij hieraan niet gaan beginnen , omdat deze schade op een onprofessionele manier is getracht weg te werken en er geen inschatting gemaakt kan worden van de kosten voor herstel. [...]”
2.6.
De auto is in december 2024 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. [geopposeerde] heeft de auto daarop verkocht en geleverd aan een garagebedrijf.

3.Het geschil

3.1.
Op 28 mei 2025 heeft de kantonrechter te Den Haag bij verstekvonnis met zaaknummer 11704381 RL EXPL 25-9165, uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat - beslist dat:
1. De koopovereenkomst betreffende de Volkswagen op 5 september 2024 partieel vernietigd is wegens het schadeverleden van de auto,
2. [opposant] het teveel betaalde aankoopbedrag van € 5.272,83 aan [geopposeerde] moet voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente,
3. [opposant] een bedrag van € 891,00 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [geopposeerde] moet voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente,
4. [opposant] een bedrag van € 578,71 aan proceskosten aan [geopposeerde] moet voldoen, vermeerderd met een bedrag van € 135,00 terzake de nakosten (voor zover deze zullen worden gemaakt), vermeerderd met de eventuele kosten van betekening.
3.2.
[geopposeerde] heeft aan zijn vorderingen in de verstekprocedure ten grondslag gelegd dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. De door [geopposeerde] gekochte auto betrof een “schadeauto”. Als [geopposeerde] had geweten van het schadeverleden van de auto, dan had hij deze koopovereenkomst niet ondertekend. Omdat de auto in december 2024 naar aanleiding van een verkeersongeval total loss is verklaard, beroept [geopposeerde] zich primair op partiële vernietiging van de koopovereenkomst, waarbij [opposant] gehouden is een bedrag van € 5.272,83 aan [geopposeerde] te voldoen. Subsidiair beroept [geopposeerde] zich op partiële ontbinding van de koopovereenkomst wegens non-conformiteit.
3.3.
[opposant] vordert in deze verzetprocedure bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
- samengevat - vernietiging van het verstekvonnis van 28 mei 2025 en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geopposeerde] af te wijzen met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van de procedure. [opposant] betwist dat hij [geopposeerde] een schadeauto heeft verkocht. [opposant] was niet bekend met enig schadeverleden van de auto. De schade moet na de totstandkoming van de koopovereenkomst zijn ontstaan. Van non-conformiteit is bovendien geen sprake. Gelet op de leeftijd en kilometerstand van de auto ten tijde van de koop, mocht [geopposeerde] volgens [opposant] geen perfecte staat verwachten. [opposant] betwist tot slot dat hij in verzuim is komen te verkeren.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling

[opposant] is ontvankelijk in zijn verzet
4.1.
[opposant] is op 28 mei 2025 bekend geworden met de inhoud van het verstekvonnis. De verzetdagvaarding is vervolgens binnen vier weken betekend, zodat aan de vereisten van artikel 143 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is voldaan. [opposant] is dus ontvankelijk in zijn verzet. De kantonrechter zal dit verzet hierna inhoudelijk behandelen.
Het beroep op dwaling slaagt
4.2.
De kantonrechter wijst het beroep op dwaling toe. Daartoe wordt als volgt overwogen. Artikel 6:228 lid 1 BW Pro bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is als (a) de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij; (b) indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten; of (c) indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
4.3.
[geopposeerde] stelt in het kader van het beroep op dwaling dat hij een schadeauto heeft gekocht. Ter onderbouwing van die stelling legt [geopposeerde] (onder meer) e-mails over van het garagebedrijf dat de auto heeft onderzocht en foto’s van het frame van de auto. Op deze foto’s zijn deuken in het frame zichtbaar. Ook zijn er lasnaden zichtbaar op plekken waar deze niet horen. Als [geopposeerde] bekend zou zijn geweest met het schadeverleden van de auto, dan had hij deze koopovereenkomst niet gesloten, aldus [geopposeerde].
4.4.
[opposant] voert onder meer aan dat hij niet bekend was met enig schadeverleden. De schade moet na het tekenen van de koopovereenkomst zijn ontstaan, aldus [opposant].
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. [opposant] heeft niet betwist dat de door [geopposeerde] overgelegde foto’s op ernstige schade (een schadeauto) duiden. Weliswaar heeft [geopposeerde] gesuggereerd dat de schade ook na de aankoop op 28 december 2022 kan zijn ontstaan, maar hij heeft dit standpunt verder niet onderbouwd. [geopposeerde] heeft zijn stelling dat ten tijde van de aankoop (reeds) sprake was van een schadeauto daarentegen onderbouwd met WhatsApp-berichten die hij op 14 januari 2023 aan [handelsnaam] heeft gestuurd en waarin hij klaagt over een lekkage en natte stoelen. Daarbij komt dat [geopposeerde] heeft toegelicht dat het verkeersongeval in december 2024 een frontale botsing betrof, terwijl de schade waarvan [geopposeerde] stelt dat deze reeds ten tijde van de aankoop aanwezig was zich aan de achterzijde van de auto bevond. [opposant] heeft ter zitting gezegd dat het, gelet op de hoge omloopsnelheid van de auto’s binnen zijn bedrijf, kan voorkomen dat een auto een schadeverleden heeft zonder dat dit wordt opgemerkt. Het kan dus zo zijn dat de schade aan de auto van [geopposeerde] bij verkoop over het hoofd is gezien, aldus [opposant]. Naar het oordeel van de kantonrechter erkent [opposant] hiermee - zij het impliciet - de door [geopposeerde] gestelde feiten met betrekking tot de natte achterbank en de hiervoor in 4.3 beschreven lasnaden, en daarmee ook dat de verkochte auto inderdaad een “schadeauto” betrof. Gelet op deze feiten en omstandigheden, gaat de kantonrechter ervan uit dat de door [geopposeerde] gekochte auto een schadeauto betrof en dat beide partijen zich daar niet van bewust waren ten tijde van de koop. Er is dus sprake van wederzijdse dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub c BW Pro.
Het door [geopposeerde] geleden nadeel wordt vastgesteld op € 1.500,00
4.6.
Dwaling leidt in beginsel tot vernietiging van de koopovereenkomst. [geopposeerde] heeft ter zitting echter toegelicht dat het petitum van zijn dagvaarding thans aldus moet worden begrepen, dat [geopposeerde] niet langer (partiële) vernietiging van de koopovereenkomst vordert. In plaats daarvan vordert [geopposeerde] een wijziging van de koopovereenkomst in die zin, dat het door hem ten gevolge van de dwaling geleden nadeel wordt opgeheven. [geopposeerde] heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat hij de auto niet kan teruggeven aan [opposant] omdat deze inmiddels is verkocht aan een derde. De kantonrechter overweegt dat de mogelijkheid tot het (op verlangen van een der partijen) wijzigen van een overeenkomst ter opheffing van het geleden nadeel is vastgelegd in artikel 6:230 lid 2 BW Pro. Voordat tot een dergelijke wijziging kan worden overgegaan, moet eerst worden vastgesteld waaruit het geleden “nadeel” concreet bestaat. [geopposeerde] heeft in dit verband toegelicht dat het geleden nadeel volgens hem moet worden vastgesteld op een bedrag van € 5.272,83. Dit komt overeen met de kosten die [geopposeerde] (volgens hem) zou hebben moeten maken om de auto in overeenstemming te brengen met een auto zonder schade. [geopposeerde] verwijst in dit verband naar een als productie overgelegde schadecalculatie. [opposant] betwist het door [geopposeerde] gestelde nadeel van € 5.272,83. Hij voert in dit verband aan dat [geopposeerde] geen nadeel heeft geleden, omdat zijn verzekeraar hem een bedrag van
€ 5.619,83 heeft uitgekeerd naar aanleiding van het verkeersongeval in december 2024. [geopposeerde] heeft ook een bedrag ontvangen van de garage waaraan hij zijn auto nadien heeft verkocht. In totaal heeft [geopposeerde] een bedrag van € 10.750,00 ontvangen, welk bedrag gelijk staat aan de dagwaarde van de auto ten tijde van het verkeersongeval in december 2024. [geopposeerde] heeft dus geen enkel nadeel geleden, aldus [opposant].
4.7.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van het bovenstaande als volgt. [geopposeerde] gaat bij de berekening van het nadeel uit van de (begrote) herstelkosten van de auto. [geopposeerde] heeft die kosten echter niet daadwerkelijk gemaakt, omdat de auto niet is gerepareerd. De kantonrechter overweegt dat herstelkosten niet zonder meer op één lijn kunnen worden gesteld met het geleden “nadeel”. Zonder een nadere toelichting van [geopposeerde] (die ontbreekt) valt niet in te zien waarom de begrote herstelkosten in dit geval gelijk zouden staan aan het door [geopposeerde] geleden nadeel. De kantonrechter acht de door [geopposeerde] voorgestane wijze van berekening van het nadeel daarom niet geschikt. Dit brengt niet met zich dat de kantonrechter het beroep op artikel 6:230 lid 2 BW Pro van [geopposeerde] zal passeren. In een dergelijke situatie moet de kantonrechter de omvang van het nadeel zelfstandig vaststellen, zo nodig schattenderwijs. [1] Daarbij dient [geopposeerde] in de situatie te worden gebracht waarin hij zou verkeren indien hij niet zou hebben gedwaald. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. De kantonrechter overweegt in dit verband dat [geopposeerde] een auto met een schadeverleden heeft gekocht en dat aannemelijk is dat [geopposeerde] een lagere koopprijs zou hebben bedongen als hij zich hiervan bewust was geweest ten tijde van de koop. [geopposeerde] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit een dergelijke (hypothetische) koopprijs kan worden afgeleid. De kantonrechter schat het nadeel daarom naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00, er schattenderwijs van uitgaande dat de koopprijs € 1.500,00 lager zou zijn geweest, indien [geopposeerde] van het gebrek zou hebben geweten ten tijde van de koop. In dit (hypothetische) geval zou [geopposeerde] derhalve [€ 14.800,00 -/- € 1.500,00 =] € 13.300,00 voor de auto hebben betaald. De kantonrechter gaat voorbij aan het betoog van [opposant] dat [geopposeerde] geen schade heeft geleden, omdat hij een bedrag van € 10.750,00 uitgekeerd heeft gekregen naar aanleiding van het verkeersongeval in december 2024. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [geopposeerde]
minderdan € 10.750,00 zou hebben ontvangen indien hij de auto destijds voor een lagere prijs zou hebben gekocht. Het verschil van € 1.500,00 tussen de hypothetische koopprijs van € 13.300,00 en de betaalde koopprijs van € 14.800,00 was dan in het vermogen van [geopposeerde] gebleven. Hieruit kan niet anders volgen dan dat sprake is van nadeel in de zin van artikel 6:230 lid 2 BW Pro.
4.8.
Concreet brengt het bovenstaande met zich dat de koopovereenkomst zal worden gewijzigd in die zin, dat [opposant] een bedrag van € 1.500,00 aan [geopposeerde] moet betalen. De wettelijke rente zal daarbij als onweersproken worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
4.9.
Omdat het (primaire) beroep op dwaling slaagt, behoeven het subsidiaire beroep op non-conformiteit en de op grond daarvan gevorderde partiële ontbinding geen bespreking meer.
Er wordt een bedrag van € 225,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen
4.10.
[geopposeerde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [geopposeerde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [geopposeerde] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Er zal een bedrag van € 225,00 worden toegewezen.
[opposant] moet de proceskosten betalen
4.11.
Omdat het beroep op dwaling slaagt, zal [opposant] worden veroordeeld in de proceskosten. Dit betreft zowel de kosten van de verstekprocedure als de kosten van de verzetprocedure (inclusief nakosten). Omdat [geopposeerde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [opposant] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten x € 217,00)
- nakosten
108,50
Totaal
632,50
4.12.
Om praktische redenen zal de kantonrechter het verstekvonnis in zijn geheel vernietigen. De beslissing zal hierna opnieuw worden geformuleerd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1
vernietigt het door deze rechtbank op 28 mei 2025 onder zaaknummer 11704381 RL EXPL 25-9165 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw rechtdoende:
5.2
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro per 28 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
5.3
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 225,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4
veroordeelt [opposant] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1910,