Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699645 / JE RK 26-261
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling wegens onvoldoende grond voor bedreiging minderjarige belangen

De moeder verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van haar vier minderjarige kinderen vanwege zorgen over contactherstel en negatieve beïnvloeding door de vader. De gecertificeerde instelling en de vader stelden dat de kinderen zich goed ontwikkelen en dat het vrijwillig kader voldoende ondersteuning biedt.

De kinderrechter nam kennis van eerdere beschikkingen, het borgingsplan en de mening van de kinderen zelf. Hoewel het contact tussen moeder en kinderen momenteel ontbreekt, is dit volgens de rechter onvoldoende reden voor verlenging omdat er geen ernstige bedreiging voor de belangen van de kinderen is.

De hulpverlening aan de kinderen is afgerond en zij geven aan eerst rust te willen. De kinderrechter benadrukte het belang van een vertrouwensrelatie tussen moeder en hulpverleners en het voortzetten van gesprekken over contactherstel in het vrijwillig kader.

De beslissing werd op 9 april 2026 in het openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 29 april 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een ernstige bedreiging voor de belangen van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/699645 / JE RK 26-261
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.C. Mens uit Hoofddorp,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft (op verzoek van de gecertificeerde
instelling) bij beschikking van 12 november 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] verlengd tot 21 februari 2026. De gecertificeerde instelling heeft hierna
niet verzocht om een verlenging van de maatregel.
1.2.
Bij beschikking van 20 februari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank,
op een daartoe strekkend verzoek van de moeder, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] verlengd tot 23 maart 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.3.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank,
de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] verlengd tot 13 april 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.4.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikkingen van 20 februari 2026 en 20 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- het borgingsplan van de gecertificeerde instelling van 27 januari 2026.
1.5.
Op 9 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling en een collega als toehoorder.
1.6.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikkingen van 20 februari 2026 en 20 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Door en namens de moeder is het verzoek als volgt onderbouwd. De moeder heeft er onvoldoende vertrouwen in dat in het vrijwillig kader het contactherstel met de kinderen goed zal verlopen. Er is veel gebeurd tussen de ouders waarbij de vader de kinderen op een subtiele manier negatief heeft beïnvloed over de moeder. De moeder heeft recent gebeld met [de minderjarige 3] en dit verliep goed. [de minderjarige 3] had daarna aangegeven nog een keer te willen bellen, maar nu wil ze dat opeens niet meer. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] oefenen ook druk uit op [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] om geen contact meer te hebben met de moeder. De vader geeft wel aan dat hij wil meewerken aan het contactherstel, maar de moeder heeft er geen vertrouwen in dat de vader dit ook daadwerkelijk zal doen en de kinderen daarin zal stimuleren. Verder zijn er lange wachtlijsten voor Oog voor Thuis waardoor zonder ondertoezichtstelling in de tussentijd niet aan contactherstel zal worden gewerkt en de kinderen verder van de moeder zullen vervreemden. Bij verlenging van de ondertoezichtstelling is het wel nodig dat er een nieuwe jeugdbeschermer komt die actief en daadkrachtig optreedt; de huidige jeugdbeschermer heeft dat niet gedaan. De moeder wil toewerken naar herstel van de oude zorgregeling, in ieder geval met [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , omdat zij daar nog open voor lijken te staan. Verder maakt de moeder zich zorgen over de onveilige situatie die de kinderen hebben meegemaakt en wat het met de kinderen doet dat zij geen contact meer hebben met de moeder. De moeder verzoekt daarom om de ondertoezichtstelling te verlengen.

4.De standpunten

4.1.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben voor de verwerking van hun belaste verleden hulp gehad van Groei door Ervaring. Dit traject is inmiddels afgerond. De kinderen ontwikkelen zich op dit moment goed waardoor er geen gronden meer zijn voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Uit de toetsing van de Raad blijkt ook dat een ondertoezichtstelling geen meerwaarde heeft en niet doelmatig is om het contactherstel tussen de moeder en de kinderen te bewerkstelligen. In het vrijwillig kader kan met het wijkteam en de hulpverlening worden gewerkt aan het contactherstel. Het gezin staat op de wachtlijst voor een casusregisseur van Oog voor Thuis om het proces van contactherstel te begeleiden en vorm te geven. Wel is het helaas nog onduidelijk hoe lang het zal duren voordat er een casusregisseur voor het gezin beschikbaar is. De mentor van [de minderjarige 2] zal in het vrijwillig kader betrokken blijven en deze mentor zal ook voor [de minderjarige 3] beschikbaar zijn. De mentor zal ter overbrugging ook ondersteuning bieden in het kader van het beter leren begrijpen van de emoties en (schuld)gevoelens rondom het contact met de moeder. Verder is er sprake van een moeizame relatie tussen de moeder en de jeugdbeschermer waardoor een goede samenwerking helaas niet haalbaar is gebleken. De inzet van een andere jeugdbeschermer zal daar geen in brengen en door wachtlijsten kan het bovendien lang duren voordat er een andere jeugdbeschermer beschikbaar is. Mogelijk kan de hulpverlening in het vrijwillig kader het vertrouwen van moeder krijgen en haar, vanuit dat vertrouwen, beter ondersteunen.
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij verlenging van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt. De vader staat achter contactherstel tussen de moeder en de kinderen, maar dit moet wel vanuit de kinderen komen. Er is in het verleden veel gebeurd waardoor de kinderen getraumatiseerd zijn. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn nog boos op de moeder en [de minderjarige 3] heeft weer nachtmerries gehad nadat zij telefonisch contact heeft gehad met de moeder. Het hoofd van [de minderjarige 4] zit ook nog erg vol en onlangs heeft zij een paniekaanval gehad. De kinderen willen daarom op dit moment eerst rust en staan nog niet open voor contactherstel. Als dat in de toekomst verandert bij (alle of een van) de kinderen zal de vader daarop anticiperen en hulpverlening inschakelen om het contactherstel te realiseren. Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling zal daar op dit moment geen verandering in brengen. Verder gaat het op dit moment goed met de kinderen. [de minderjarige 1] haalt goede cijfers op school en heeft een bijbaantje. Dankzij de hulp van de mentor gaat het steeds beter met [de minderjarige 2] op school en [de minderjarige 3] zal komende periode ook hulp van dezelfde mentor krijgen. De ondertoezichtstelling is volgens de vader daarom niet meer nodig.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt dat de kinderen veel hebben meegemaakt in het verleden en hulpverlening hebben gehad om de heftige gebeurtenissen uit hun verleden te kunnen verwerken. Dit hulpverleningstraject is inmiddels afgerond. Hierdoor gaat het beter met de kinderen en zij ontwikkelen zich goed bij de vader. De kinderen staan, mede door alles wat er is gebeurd, op dit moment echter nog niet open voor contactherstel met de moeder en zij geven aan dat zij eerst rust willen. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat dit voor de moeder een verdrietige situatie is en de kinderrechter het de kinderen en de moeder gunt om op termijn weer contact met elkaar te hebben, is het ontbreken van contact tussen de moeder en de kinderen feitelijk de enige (wezenlijke) zorg die er op dit moment over de kinderen bestaat. De kinderrechter vindt dat dan ook onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Dat zou anders kunnen zijn als het ontbreken van contact zodanige belastende conflicten of problemen voor de kinderen opleveren dat deze op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. [1] De kinderrechter is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is: de kinderen ontwikkelen zich, mede dankzij de voor hen ingezette hulpverlening, goed. Verder is het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling voor het werken aan contactherstel ook niet doelmatig gebleken, onder meer omdat er onvoldoende vertrouwen was tussen de moeder en de jeugdbeschermer. In het vrijwillig kader zal Oog voor Thuis worden ingezet en de kinderrechter spreekt de hoop uit dat er tussen de moeder en de hulpverlener(s) van Oog voor Thuis wél een goede vertrouwensrelatie zal ontstaan. Totdat Oog voor Thuis kan starten zullen de gesprekken over contactherstel door de mentor van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] worden gevoerd. Ten slotte is van belang dat ook de vader met de kinderen gesprekken blijft voeren over het contactherstel met de moeder zodat de kinderen zich vrij (blijven) voelen om hun wensen en behoeften kenbaar te maken.
5.2.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 29 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:295)