ECLI:NL:RBDHA:2026:1131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
09/336639-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontploffing in politieauto en openlijke geweldpleging tijdens Malieveldrellen

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die betrokken was bij de Malieveldrellen op 20 september 2025. De verdachte werd beschuldigd van het teweegbrengen van een ontploffing in een politieauto door vuurwerk af te steken en openlijke geweldpleging tegen die auto. Tijdens de rellen, die volgden op een demonstratie, werd de politieauto belaagd door een groep demonstranten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte vuurwerk had afgestoken en in de politieauto had gelegd, wat leidde tot een ontploffing en rookontwikkeling. De rechtbank sprak de verdachte gedeeltelijk vrij van brandstichting, omdat niet kon worden vastgesteld dat de brand in de auto het gevolg was van het door hem afgestoken vuurwerk. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en moest een schadevergoeding van €34.340,00 betalen aan de Nationale Politie. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en het gebrek aan respect voor politieambtenaren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/336639-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 september 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk vuurwerk te ontsteken, althans een brandbaar voorwerp in brand te steken, en dit in een politieauto (kenteken [kenteken] ) te leggen/gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten zich in die politieauto bevindende uitrusting en/of goederen (zware-/veiligheidsvesten, AED, afzetlint, drager, pionnen, CO-meter, zwemvesten, rugzak met inhoud) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 september 2025 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten zich in een politieauto (kenteken [kenteken] ) bevindende uitrusting en/of goederen (zware-/veiligheidsvesten, AED, afzetlint, drager, pionnen, CO-meter, zwemvesten, rugzak met inhoud) te duchten was, een stuk vuurwerk heeft ontstoken, althans een brandbaar voorwerp in brand heeft gestoken, en dit in die politieauto (kenteken [kenteken] ) heeft gelegd/gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 20 september 2025 te 's-Gravenhage in de omgeving van het Malieveld en/of op/aan de Koekamplaan, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer goederen, te weten een politieauto (kenteken [kenteken] ), welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het gooien van harde voorwerpen tegen die politieauto,
- het slaan en/of trappen tegen die politieauto,
- het leggen/gooien van vuurwerk en/of een fakkel, althans brandende voorwerpen in die politieauto,
- het staan en/of springen op die politieauto,
- het omgooien van die politieauto.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 20 september 2025 werd op het Malieveld in Den Haag een demonstratie georganiseerd door sociale media-persoonlijkheid [naam] . Met deze demonstratie wilde zij de aandacht vestigen op het asiel- en migratiebeleid in Nederland. Om 13.00 uur ging de demonstratie op het Malieveld van start. Er was een podium, waar verschillende sprekers zouden spreken. Er waren toen ongeveer vijfduizend demonstranten aanwezig. Rond 13.30 uur splitste een groep van ongeveer vijftienhonderd – veelal in het zwart geklede en gezichtsbedekking dragende – personen zich af van het publiek rond het podium op het Malieveld. Deze groep rende vervolgens de A12 op, waar zij een blokkade opwierpen. Dit bleek het startsein van een explosie van geweld tegen politieambtenaren, journalisten, politiepaarden en politievoertuigen die zich verspreidde over de omgeving van het Malieveld. Er werd onder andere gegooid en geslagen met stenen, vuurwerk, stokken, ijzeren staven, vlaggenstokken, houten balken, blikjes, glas, fietsen, hekken en met verkeersborden. Meerdere politieambtenaren, politiepaarden en politievoertuigen werden geraakt, belaagd, in het nauw gedreven, raakten gewond, werden vernield of raakten beschadigd. Op verschillende momenten is door de politie de waterwerper en traangas ingezet en zijn door de Mobiele Eenheid charges uitgevoerd om de rust te doen wederkeren. Iets na 14.30 uur is de demonstratie vanwege het aanhoudende geweld door de burgermeester beëindigd. Rond 15.00 uur heeft een groep van ongeveer 600 personen zich afgesplitst en zich naar het centrum van Den Haag begeven, waar verschillende vernielingen werden gepleegd bij horecagelegenheden, aan het partijgebouw van de politieke partij D66 en aan het toegangshek en aan één van de gebouwen van het Binnenhof.
De beelden van dit massale geweld werden al snel in groten getale verspreid via (sociale) media. Het beeldbepalende moment van deze rellen werd dat van een politieauto aan de Koekamplaan die volledig in vlammen opgaat. Het is die auto waar de beschuldigingen tegen de verdachte op zien.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden vastgesteld dat de verdachte vuurwerk tot ontploffing heeft gebracht in de betreffende politieauto waarna rookontwikkeling is ontstaan. Daaruit kan volgens de officier van justitie de conclusie worden getrokken dat de auto door de ontploffing en vuurwerkresten brand heeft gevat. Dat een ander persoon kort daarna een ‘flare’ in de politieauto heeft gegooid waardoor de brand werd versneld, doet volgens de officier van justitie niet aan die conclusie af.
Gelet op het voorgaande heeft de officier justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel de onder 1 primair ten laste gelegde brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, als van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen goederen.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. De brand in de politieauto zou niet zijn ontstaan door het vuurwerk dat de verdachte in de auto heeft gelegd, maar door een ander soort vuurwerk dat op een later moment door een ander persoon in die auto is gegooid. Ook was geen sprake van voorwaardelijk opzet op brandstichting. Er is geen sprake van een aanmerkelijke kans dat de politieauto als gevolg van het vuurwerk in brand zou raken. De verdachte heeft die kans ook niet willens en wetens aanvaard, aldus de raadsman.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte kan worden veroordeeld voor zijn aandeel in het openlijk gepleegde geweld, hoewel dat aandeel wel beperkt is geweest.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.4
Partiële vrijspraak voor feit 1, primair: brandstichting
De rechtbank overweegt dat de verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat hij vuurwerk heeft afgestoken en in de betreffende politieauto heeft gelegd. Dat is ook te zien op de beelden. Op de beelden is een grote lichtflits te zien nadat de verdachte het vuurwerk in de auto had gelegd en vervolgens is rookontwikkeling te zien. Op de beelden is echter ook te zien dat een aantal seconden later geen brand of rook (meer) zichtbaar is bij de politieauto. Weer een aantal seconden later gooit een andere persoon een ‘flare’ in de politieauto, waarna brand ontstaat. De rechtbank kan aan de hand van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat de brand in de auto het gevolg is geweest van het stuk vuurwerk dat door de verdachte is afgestoken en in de auto is gelegd, dan wel dat dit door de ‘flare’ is gebeurd. De verdachte zal worden vrijgesproken voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op de brandstichting.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.6.
Bewijsoverwegingen
3.6.1.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of het afsteken van het vuurwerk en het plaatsen daarvan in de politieauto door de verdachte valt aan te merken als het teweegbrengen van een ontploffing in de zin van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Het verweer van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat van het teweegbrengen van een ontploffing als bedoeld in artikel 157 Sr geen sprake is. Daarbij moet het gaan om meer dan het aansteken van een stuk vuurwerk, zoals bijvoorbeeld een vuurwerkbom, antitank brisant of een granaatwerper. De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat het door de verdachte afgestoken vuurwerk een cobra betrof. Het dossier bevat ook geen verdere technische gegevens over het vuurwerk. De raadsman heeft daarom bepleit dat het in de onderhavige zaak in alle waarschijnlijkheid gaat om een nitraat, gelet op de grijs/groene kleur van het stuk vuurwerk en het roze papiertje bij de groene lont, in combinatie met de verklaring van de verdachte. Een nitraat valt binnen categorie 3 van het Vuurwerkbesluit en is zodoende wel illegaal, maar geen zwaar vuurwerk, aldus de raadsman.
De vaststelling van de feiten
De rechtbank overweegt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij een nitraat heeft afgestoken. De rechtbank stelt voorts vast dat op de beelden te zien is dat er een roze label aan het stuk vuurwerk zit dat de verdachte afsteekt. Een simpele zoekslag op het internet naar nitraten levert op dat deze doorgaans voorzien zijn van een roze vloeipapier op de plek van de lont. Het dossier bevat verder geen technische gegevens over het vuurwerk dat door de verdachte is afgestoken. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte dat het door hem afgestoken vuurwerk een nitraat betrof.
Een nitraat is illegaal vuurwerk en valt onder de Regeling overige pyrotechnische artikelen. Artikel 1 van die regeling definieert een pyrotechnisch artikel als “artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat, die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties”. Een nitraat valt daarnaast ook onder de vuurwerkcategorie F3 uit het Vuurwerkbesluit, wat betekent dat het per definitie enig gevaar oplevert en bovendien alleen bestemd is voor gebruik buitenshuis in een grote, open ruimte.
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt de rechtbank verder de volgende feiten en omstandigheden aan. De verdachte bevond zich op 20 september 2025 op de Koekamplaan in Den Haag, alwaar veel mensen aanwezig waren vanwege de eerder geplande demonstratie op het Malieveld en de rellen die daarop volgden. De rechtbank stelt vast dat op de camerabeelden, waarop de verdachte zichzelf heeft herkend, zichtbaar is dat hij een nitraat aansteekt en die door de gebroken achterruit in de politieauto neerlegt. Enkele seconden daarna is een lichtflits te zien en een harde knal te horen. Vervolgens is te zien dat er rook uit de auto komt.
Het oordeel van de rechtbankGelet op de voornoemde kenmerken van het vuurwerk kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat het door de verdachte afgestoken vuurwerk in elk geval als krachtig vuurwerk kan worden aangemerkt, dat gemeen gevaar voor goederen kan opleveren. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat het laten ontploffen van een dergelijk stuk vuurwerk in een auto niet kan aangemerkt als het teweegbrengen van een ontploffing als bedoeld in artikel 157 Sr. Naar algemene ervaringsregels is het voorzienbaar dat het laten ontploffen van een dergelijk stuk zwaar knalvuurwerk in een auto gemeen gevaar oplevert voor de goederen die zich op dat moment in die auto bevinden. Er is gelet op voornoemde waarnemingen geen enkele aanleiding om aan te nemen dat het om licht of ongevaarlijk vuurwerk ging, noch dat de verdachte ervan uitging dat het dusdanig licht vuurwerk betrof dat er geen enkel gevaar van uitging. Hij heeft nota bene ter terechtzitting zelf verklaard dat het niet verstandig zou zijn om na het afsteken van de nitraat dichtbij te blijven staan.
Door het stuk vuurwerk op de hiervoor beschreven wijze af te steken en in de politieauto te leggen, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank opzettelijk een ontploffing teweeg gebracht, waarvan het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat het gevaar zou opleveren voor goederen.
3.6.2.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van openlijk geweld in de zin van artikel 141 Sr niet is vereist dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onderdelen van de tenlastelegging of dat de deelnemers gelijktijdig aan het geweld zijn begonnen. Van openlijk geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het toegepaste geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem aan te kunnen merken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen kan daarentegen wel van voldoende gewicht zijn. Gedragingen die bijdragen aan de sfeer van ontremming of die het geweld bevorderen kunnen eveneens een significante of wezenlijke bijdrage zijn.
Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van het in vereniging plegen van geweld.
De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat op 20 september 2025 op de Koekamplaan te Den Haag een groep mensen de politieauto met kenteken [kenteken] heeft belaagd, waarbij verschillende geweldshandelingen tegen die politieauto zijn begaan. Op de beelden is te zien dat de auto wordt belaagd met stokken, dat er tegenaan wordt geslagen en geschopt, dat er voorwerpen tegen de auto worden gegooid en dat er op verschillende momenten vuurwerk naar en in de auto is gegooid dan wel gelegd waardoor de politieauto uiteindelijk volledig is uitgebrand. Uit de aangifte volgt dat de auto vervolgens ook nog omver is geduwd en op zijn kop is geëindigd. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een nitraat in zijn handen gedrukt kreeg van iemand anders, en dat toen hij zag dat de achterruit van de politieauto kapot was, hij de nitraat heeft afgestoken en in de auto heeft gelegd. Ook heeft hij verklaard dat hij al op een eerder moment een stuk vuurwerk heeft afgestoken en naar de auto heeft gegooid, maar dat dat is afgeketst op een rooster van die auto.
Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft meegedaan aan alle geweldshandelingen tegen de betreffende politieauto, heeft hij door het vuurwerk af te steken en dat in de auto te leggen dan wel naar de auto te gooien wel een significante bijdrage aan dat geweld geleverd. Hij heeft bovendien door zijn handelen niet alleen zelf geweld verricht tegen de auto, maar ook de reeds agressieve en explosieve sfeer verder aangewakkerd en zodoende bijgedragen aan de sfeer van ontremming.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging openlijk geweld plegen tegen een goed, te weten de politieauto met kenteken [kenteken] .
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 20 september 2025 te 's-Gravenhage een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk vuurwerk te ontsteken en dit in een politieauto (kenteken [kenteken] ) te leggen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten zich in die politieauto bevindende uitrusting en goederen (zware-/veiligheidsvesten, AED, afzetlint, drager, pionnen, CO-meter, zwemvesten, rugzak met inhoud) te duchten was;
2
hij op 20 september 2025 te 's-Gravenhage aan de Koekamplaan openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een politieauto (kenteken [kenteken] ), welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het gooien van harde voorwerpen tegen die politieauto,
- het slaan en trappen tegen die politieauto,
- het leggen/gooien van vuurwerk en een fakkel in die politieauto,
- het staan op die politieauto,
en
- het omgooien van die politieauto.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en met een voorwaardelijk deel van drie maanden onder de algemene voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het laten ontploffen van een stuk vuurwerk in een politieauto en aan het in vereniging openlijk geweld plegen tegen die auto. Deze geweldshandelingen zijn gepleegd in de context van grootschalige rellen, die door de NCTV zijn betiteld als extreemrechts geweld, en die volgden op een demonstratie die plaatsvond op het Malieveld in Den Haag. Deze rellen zijn uitgemond in een totale veldslag waardoor enorme risico’s op ernstig letsel zijn ontstaan. Niet alleen voor de politie, maar ook voor omstanders. Het beeld van de uitgebrande politieauto, dat uitgebreid in de media is getoond, is een heftig beeld geweest voor de samenleving.
Door zijn handelen heeft de verdachte een aandeel gehad in de ernstige overlast en enorme schade die het massale geweld in Den Haag heeft veroorzaakt. Zijn gedrag is niet alleen aan te merken als een onderdeel van antidemocratisch geweld, maar de verdachte heeft ook het grondrecht van anderen om vreedzaam te demonstreren in ernstige mate verstoord. Het gedrag van de verdachte getuigt bovendien van een volkomen gebrek aan ieder respect voor politieambtenaren of hun materieel. Geweld tegen de politie, in welke vorm dan ook, is onaanvaardbaar. Feiten als de onderhavige versterken bovendien de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Een en ander rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan.
Strafblad en persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 december 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de onderhavige feiten eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.
In de periode tussen 2013 en 2018 is de verdachte ook veroordeeld voor onder andere belediging, bedreiging en mishandeling van (politie)ambtenaren in functie en voor wederspannigheid. Hoewel de rechtbank deze veroordelingen gelet op hun gedateerdheid op zichzelf niet meeweegt bij het bepalen van de straf, overweegt zij wel dat dit een kwalijk beeld schetst van de verdachte, waaruit weinig respect voor het gezag blijkt, in het bijzonder voor politieambtenaren.
Dit beeld is nogmaals bevestigd door de houding van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft de schuld van de explosie aan geweld op en rondom het Malieveld, en tegen de getroffen politieauto in het bijzonder, volledig bij de politie gelegd. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare zaken doorgaans wordt opgelegd.
In matigende zin weegt de rechtbank mee dat het bewezenverklaarde geen geweld oplevert dat direct tegen personen was gericht. Ook komt de rechtbank ten aanzien van feit 1, anders dan de officier van justitie in zijn eis, niet tot een bewezenverklaring van brandstichting.
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee de ernst van de gepleegde feiten, mede bezien in de gehele context waarin zij zijn gepleegd, en het volledige gebrek aan eigen verantwoordelijkheid bij de verdachte. De verdachte is, blijkens zijn verklaring ter zitting, ook thans nog van mening dat niet hij of de groep waarin hij zich bevond, maar de politie verantwoordelijk is voor al het geweld. Hij lijkt zich daarbij nadrukkelijk te distantiëren van het feit dat hij met zijn handelen niet alleen rechtstreeks schade heeft veroorzaakt, maar ook onaanvaardbare risico’s op (meer) schade en letsel bij omstanders heeft genomen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
De vordering
De Nationale Politie heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding van € 43.340,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente vanaf 20 september 2025.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte door één nitraat in de auto te laten ontploffen niet aansprakelijk is voor de schade aan de auto. De vordering is immers gebaseerd op het volledig uitbranden van de auto met inbouwapparatuur. De vordering dient daarom te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hoewel bij de schade aan de auto terecht rekening is gehouden met de dagwaarde, dat ten onrechte niet is gedaan bij de inbouwapparatuur. Daarbij zou ook ten onrechte de BTW meegerekend zijn, nu die door de politie kan worden verrekend. De raadsman heeft gelet daarop bepleit dat de schade met betrekking de inbouwapparatuur niet deugdelijk is onderbouwd.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering benadeelde partij
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken die aan de vordering zijn gehecht blijkt dat de politie geen BTW kan afschrijven. De BTW kan dus wel meegerekend worden in het schadebedrag. Daarnaast overweegt de rechtbank dat voor het schadebedrag aan de auto van de dagwaarde is uitgegaan, maar voor de inbouwapparatuur niet. Naar het oordeel van de rechtbank dient ook het schadebedrag voor de inbouwapparatuur te zijn gebaseerd op de dagwaarde. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de dagwaarde van de inbouwapparatuur op 20 september 2025 op € 9.000,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 34.340,00 aan materiële schade.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, omdat
het bestaan van de gestelde schade boven het toe te wijzen bedrag van € 34.340,00 namens de verdachte (gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk is dat de benadeelde partij in een later stadium nog een verdere onderbouwing zal kunnen verschaffen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld dat uiteindelijk tot de totale vernieling van de politieauto heeft geleid. In dat kader is hij dus ook medeverantwoordelijk voor de totale schade aan die auto. Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor dus ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 34.340,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de Nationale Politie.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
de eendaadse samenloop van
feit 1, primair:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
feit 2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een
gedeelte van die straf, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 34.340,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de Nationale Politie;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 34.340,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van de Nationale Politie;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 172 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rootring, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. R. Wieringa, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.