ECLI:NL:RBDHA:2026:11360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.19783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, vroeg op 10 januari 2026 asiel aan in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Litouwen verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat Litouwen hem niet kan beschermen tegen ernstige mensenrechtenschendingen en mishandeling, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.

De rechtbank overwoog dat Litouwen in beginsel verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, tenzij sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of opvang. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat Litouwen zijn verdragsverplichtingen nakomt en dat er geen sprake is van structurele detentie of slechte opvang.

Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij bijzondere individuele omstandigheden heeft die overdracht aan Litouwen onevenredig hard maken. Ook is niet gebleken dat hij geen toegang heeft tot klachtenprocedures of beroep in Litouwen. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Litouwen verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19783

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Hij heeft op 10 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit eisers Litouwse verblijfsvergunning blijkt dat eiser van Litouwen een verblijfstitel heeft gekregen, geldig van 8 augustus 2025 tot 8 augustus 2027. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening [3] de Litouwse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Litouwse autoriteiten hebben dit verzoek op 20 februari 2026 geaccepteerd op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser stelt in beroep dat ten aanzien van Litouwen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de Litouwse autoriteiten niet in staat zijn eiser te beschermen tegen het gevaar van [persoon] . Eiser wijst daartoe op wat hij daar eerder over heeft verklaard. Eiser meent bij terugkeer weer ernstig te worden mishandeld met wellicht de dood tot gevolg. Daarbij wijst eiser op een onderzoek van Amnesty International waaruit blijkt dat men in Litouwen geen toegang heeft tot asielprocedures en slachtoffer wordt van ernstige mensenrechtenschendingen. Hij stelt dat een aanzienlijke kans bestaat dat hij bij terugkeer in een detentiecentrum wordt geplaatst. Daarmee heeft het volgens eiser geen zin om te klagen bij hogere autoriteiten. Verder voert eiser aan dat de Litouwse autoriteten hem geen bescherming kunnen bieden, omdat zij eiser niet beschouwen als een asielzoeker. Met voorgaande meent eiser bij terugkeer een reëel risico te lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest, [4] waardoor zijn overdracht naar Litouwen zal getuigen van onevenredige hardheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Litouwen in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Litouwen zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat dit in zijn geval niet kan en dat in Litouwen sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen.
5. De Afdeling [5] heeft in haar uitspraak van 1 mei 2024 bevestigd dat verweerder ten opzichte van Litouwen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] De Afdeling is bij haar beoordeling ingegaan op toegang tot de asielprocedure van vreemdelingen die terugkeren onder de Dublinverordening, detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat uit recente stukken niet blijkt dat Dublin-terugkeerders structureel worden gedetineerd en dat de opvang- en detentieomstandigheden in Litouwen zijn verbeterd. Hierdoor is geen sprake van strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. De druk op de opvang- en detentiecentra is sterk afgenomen, er zijn maatregelen genomen om het opvangsysteem te verbeteren en het opvangsysteem is ook verbeterd. Daarnaast zijn er procedures aanwezig om een klacht in te dienen of beroep in te stellen over de opvang- en detentie-omstandigheden of een afwijzend asielbesluit.
6. Voor zover eiser stelt dat hij in Litouwen niet zal worden beschouwd als asielzoeker, omdat hij in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, geldt dat de Litouwse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Litouwen kan hij zich wenden tot de (hogere) Litouwse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Dit geldt ook als hij problemen zal ondervinden door of met [persoon] .
7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Litouwen van onevenredige hardheid getuigt. De omstandigheden en ervaringen van eiser in Litouwen heeft verweerder al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeven daarom niet opnieuw te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.