ECLI:NL:RVS:2024:1806
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering asielaanvraag op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel bij Dublinoverdracht aan Litouwen
De zaak betreft het hoger beroep van een Jemenitische vreemdeling tegen de beslissing van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Litouwen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De staatssecretaris baseert zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat ervan uitgaat dat de aangezochte lidstaat de asielprocedure conform internationale normen uitvoert.
De vreemdeling stelde dat hij bij overdracht aan Litouwen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest, vanwege pushbacks, detentiepraktijken, slechte opvangomstandigheden en discriminatie van lhbti-personen. De rechtbank oordeelde echter dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vertrouwensbeginsel niet geldt en dat hij niet terecht in een situatie van ernstige materiële deprivatie zal verkeren.
De Afdeling toetste dit oordeel uitgebreid aan de hand van recente rapporten en wetgeving. Hoewel pushbacks aan de buitengrens van Litouwen plaatsvinden, geldt dit niet voor Dublinclaimanten die op gereguleerde wijze worden overgedragen. Detentie van Dublinclaimanten komt niet standaard voor en is wettelijk geborgd met waarborgen. De opvang- en detentieomstandigheden zijn recent verbeterd en voldoen niet aan de criteria voor ernstige schendingen. Ook is er toegang tot rechtsmiddelen en rechtsbijstand. De discriminatie van lhbti’ers is erkend, maar er is geen bewijs dat bescherming ontbreekt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering om de asielaanvraag in behandeling te nemen wordt bevestigd.