ECLI:NL:RBDHA:2026:11414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL24.7496
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na vrijwillige terugkeer van derdelander Oekraïne

Eiseres, een Nigeriaanse derdelander Oekraïne, had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Het oorspronkelijke besluit van 7 februari 2024 was ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 7 augustus 2025. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen van het HvJ EU.

Echter, eiseres is vrijwillig teruggekeerd naar Nigeria, waardoor zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit daarmee is uitgewerkt en een intrekking geen rechtsgevolg meer heeft. Eiseres heeft ook geen schadevergoeding gevorderd.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Wel wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €934, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijwillige terugkeer en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7496

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 februari 2024, waarbij is vastgesteld dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming [1] en waarbij tegen eiseres een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).
Verweerder heeft, onder intrekking van het besluit van 7 februari 2024, op 7 augustus 2025 opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
Een mondelinge behandeling van het beroep is achterwege gebleven. [2]

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft in Nederland tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
2. Niet is gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024.
3. Bij brief van 8 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat eiseres vrijwillig is teruggekeerd naar Nigeria. Gelet hierop heeft eiseres evenmin nog een belang bij een beoordeling van het beroep, voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025. Met de terugkeer van eiseres is het terugkeerbesluit uitgewerkt. Een intrekking van dat besluit, zoals namens eiseres wordt gevraagd, heeft dan ook geen rechtsgevolg. Eiseres heeft niet verzocht om een schadevergoeding.
4. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Zoals eiseres terecht stelt, is met de intrekking van het besluit van 7 februari 2024 de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. Gelet hierop is er reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €934, bestaande uit één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Rl. 2001/55/EG, RTB).
2.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb.