Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.11713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en verschil in beschermingsbeleid

Eiser, een Somalische journalist, diende op 7 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat Noorwegen eerder een visum aan eiser had verleend. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag daarom niet in behandeling.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Noorwegen onevenredige hardheid oplevert vanwege verschillen in het beschermingsbeleid voor Somalische journalisten tussen Nederland en Noorwegen. Hij stelde dat Noorwegen geen passend beleid heeft voor mensen die door journalistieke werkzaamheden in negatieve aandacht van de autoriteiten zijn gekomen, wat in Nederland wel het geval is.

De rechtbank oordeelde dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte is om verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten te toetsen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Noorwegen een reëel risico loopt op indirect refoulement. Ook de aangeleverde bewijzen, waaronder een Noors nieuwsbericht en namen van uitgezette Somaliërs, onderbouwen dit niet.

De Noorse autoriteiten hebben bovendien garanties gegeven dat de asielaanvraag van eiser met inachtneming van internationale verplichtingen wordt behandeld en dat uitzetting die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro wordt voorkomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11713

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het verzoek samen met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.11714), op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, een waarnemer van gemachtigde van eiser: mr. E.V. Appeldoorn, A. Abdiraham als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 7 oktober 2025 ingediend.
1.2.
Uit het EU-VIS resultaat blijkt dat Noorwegen aan eiser een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 14 september 2025 tot 15 oktober 2025. Op 26 november 2025 heeft Nederland aan de Noorse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Noorwegen heeft dit verzoek aanvaard op 1 december 2025 op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Noorwegen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Noorwegen een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken omdat overdracht aan Noorwegen van onevenredige hardheid getuigt. Hij voert daartoe aan dat er fouten en structurele gebreken in de Noorse asielprocedure zitten, omdat er een feitelijk verschil in beleid tussen Nederland en Noorwegen voor mensen/journalisten met de Somalische nationaliteit bestaat. Volgens eiser bestaat er in Nederland een bijzonder beleid voor mensen met de Somalische nationaliteit die in de negatieve aandacht van de feitelijke machthebbers zijn komen te staan als gevolg van journalistieke werkzaamheden. Dit beleid bestaat in Noorwegen niet. Dit verschil maakt dat de Nederlandse autoriteiten vanwege risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken.
3.1.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond van eiser zo, dat hij een beroep doet op indirect refoulement bij overdracht aan Noorwegen vanwege een verschil in beschermingsbeleid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359) in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934), geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het (verschil in) beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen. Ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant bij de toetsing van een overdrachtsbesluit. Voor zover eiser vreest voor (indirect) refoulement door het verschil in beschermingsbeleid in Noorwegen, moet hij dat risico daar zelf melden en aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3.2
Ook los daarvan overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiser geen grond bestaat voor het oordeel dat eiser bij zijn overdracht aan Noorwegen een reëel risico loopt op indirect refoulement. Eiser heeft dit risico namelijk niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft aangevoerd dat hij als journalist in de belangstelling van de Somalische autoriteiten staat, maar door Noorwegen zal worden uitgezet en dat niet zal overleven. Eiser heeft echter niet verwezen naar Noors beleid waaruit volgt dat Somalische journalisten die in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan geen bescherming krijgen. Na de zitting heeft de gemachtigde van eiser een link naar een Noors nieuwsbericht en twee namen van personen die vanuit Noorwegen naar Somalië zijn uitgezet (met data en vliegmaatschappij) aan het digitale dossier toegevoegd. Ook dit onderbouwt het standpunt van eiser niet. Het Noorse nieuwsbericht benoemt de deportatie van een aantal Somalische asielzoekers, maar benoemt niet dat het hierbij gaat om journalisten die in de negatieve aandacht staan. Ook voor de twee namen van uitgezette Somaliërs geldt dat niet is gebleken waarom zij zijn uitgezet naar Somalië.
3.3
Bovendien hebben de Noorse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Noorse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Mocht eiser toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Noorse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Noorse autoriteiten voor niet eiser niet mogelijk zal zijn.
3.4
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.