ECLI:NL:RBDHA:2026:11456
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming
Eiser, een asielzoeker van Georgische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 31 juli 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, en de gemachtigde van eiser kon niet bevestigen of eiser in detentie, opname of elders in Nederland verbleef.
De rechtbank behandelde het beroep op 20 maart 2026, waarbij de gemachtigde van eiser verklaarde dat het contact met eiser eenzijdig was; eiser reageerde niet op berichten. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van wederkerig contact en het vertrek met onbekende bestemming betekende dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De rechtbank verwierp het beroep als niet-ontvankelijk en wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak werd gedaan door rechter Esmeijer en griffier De Zwart. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan procesbelang.