Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL25.35653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming

Eiser, een asielzoeker van Georgische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 31 juli 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, en de gemachtigde van eiser kon niet bevestigen of eiser in detentie, opname of elders in Nederland verbleef.

De rechtbank behandelde het beroep op 20 maart 2026, waarbij de gemachtigde van eiser verklaarde dat het contact met eiser eenzijdig was; eiser reageerde niet op berichten. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van wederkerig contact en het vertrek met onbekende bestemming betekende dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De rechtbank verwierp het beroep als niet-ontvankelijk en wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak werd gedaan door rechter Esmeijer en griffier De Zwart. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft de rechtbank op 19 augustus 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 bericht dat onduidelijk is of eiser mogelijkerwijs is opgenomen of in detentie verblijft of op een alternatief adres in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft daarvoor geen aanwijzingen maar kan het ook niet uitsluiten. Eiser is op de hoogte gesteld van de zitting per e-mail, er is ook een tolk en niet kan worden uitgesloten dat eiser ter zitting zal verschijnen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in aanvulling daarop verklaard dat het contact met eiser eenzijdig is, hij reageert niet op berichten.
4. Uit het feit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. [2] Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. [3] Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3.Afdeling 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.