ECLI:NL:RBDHA:2026:11515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16485
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 94 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van asielbewaring en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van asielbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was op 24 februari 2026 opgelegd en op 24 maart 2026 opgeheven. De rechtbank moest beoordelen of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit van de rechtsmatigheid van de maatregel, zoals vereist door het arrest van het HvJEU van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858). De minister stelde dat eiser in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure, dat hij toegang tot de asielprocedure had gehad en dat de aanvraag was ingediend om uitvoering van het terugkeerbesluit te frustreren.

De rechtbank vond geen grond om te oordelen dat de bewaring onrechtmatig was geweest tot het moment van opheffing. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van asielbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16485

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie,verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 24 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring zich op het standpunt gesteld dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
Ambtshalve toetsing
3. Eiser refereert zich ten aanzien van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring aan het oordeel van de rechtbank.
4. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het HvJEU van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.