Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
5.1 In de zaak van eiser werd de aanvraag ingediend op 11 mei 2024. Op 2 juli 2024 zijn de autoriteiten van Kroatië akkoord gegaan met het claimverzoek op grond van de Dublinverordening. [5] Omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië, is Nederland op 3 januari 2025 verantwoordelijk geworden. De beslistermijn vangt aan op het tijdstip waarop wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. [6] De opschorting van de beslistermijn door het BVM, gecombineerd met de reguliere beslistermijn van zes maanden, betekent in dit geval dat de beslistermijn eindigde op 13 december 2025. Eiser heeft de minister op 23 juli 2025 en 28 november 2025 in gebreke gesteld, de beslistermijn was toen nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestellingen prematuur zijn ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [7] Conclusie en gevolgen