Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11556

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
SGR 25/2652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1b Wsf 2000Art. 11.5 lid 1 Wsf 2000Art. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot kwijtschelding studieschuld wegens medische omstandigheden

Eiser heeft een verzoek ingediend om volledige kwijtschelding van zijn studieschuld vanwege psychiatrische klachten en langdurige studievertraging. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen omdat eiser sinds 2021 geen openstaande schuld meer had door eerdere kwijtschelding in verband met de toeslagenaffaire.

Eiser voerde aan dat zijn medische situatie en arbeidsongeschiktheid een uitzondering rechtvaardigen, maar verweerder hield vast aan het beleid dat alleen openstaande schulden kunnen worden kwijtgescholden. De rechtbank oordeelt dat dit beleid niet onredelijk is en dat verweerder terecht het verzoek heeft afgewezen.

De rechtbank benadrukt dat reeds betaalde bedragen niet worden gerestitueerd en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van het griffierecht of proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van de studieschuld wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W), verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om volledige kwijtschelding van zijn studieschuld. Eiser is het niet eens met de afwijzing van dit verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot volledige kwijtschelding van zijn studieschuld op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 november 2024 verzocht om kwijtschelding van zijn studieschuld vanwege medische omstandigheden.
2.1
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 december 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
2.2
Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is op de zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen via een video-verbinding.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft van 1997 tot 2003 een bachelor en master Econometrie gevolgd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en heeft daarvoor een prestatiebeurs (basisbeurs en reisvoorziening) ontvangen en ook geldbedragen geleend. De volledige prestatiebeurs van eiser is omgezet in een gift. Voor het restant van zijn studieschuld, bestaande uit de geleende geldbedragen, is eiser in 2006 gestart met afbetalen in maandelijkse termijnen.
3.1
Omdat eiser aangemerkt is als gedupeerde van de toeslagenaffaire heeft verweerder bij besluit van 24 november 2021 de nog openstaande schulden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) [1] kwijtgescholden.
3.2
In 2024 heeft eiser een aanvraag bij verweerder gedaan om zijn volledige studieschuld met terugwerkende kracht te laten kwijtschelden vanwege medische omstandigheden. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij in zijn studietijd geleden heeft aan psychiatrische klachten, o.a. een bipolaire stoornis, en wegens opname en behandeling daarvoor ruim twee jaar studievertraging heeft opgelopen.
3.3
Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Verweerder hanteert beleid voor kwijtschelding bij zeer ernstige medische situaties. Daarbij kunnen alleen nog openstaande schulden worden kwijtgescholden en worden reeds betaalde aflossingen niet gerestitueerd. Omdat eiser sinds 2021 geen openstaande DUO-schulden meer heeft door de kwijtschelding vanwege de toeslagenaffaire, komt eiser niet in aanmerking voor kwijtschelding. Voor het opstarten van medisch onderzoek naar eiser zijn situatie bestaat dan ook geen aanleiding. Verweerder ziet geen aanleiding om van het beleid af te wijken.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep aan dat het hij onevenredig vindt dat verweerder geen volledige kwijtschelding met terugwerkende kracht wil toekennen in zijn geval. Eiser was tijdens zijn studie al bekend met een psychiatrisch ziektebeeld. Eiser is tijdens zijn studietijd meerdere keren opgenomen in psychiatrische klinieken. De studie van eiser is door zijn medische situatie twee jaar vertraagd. Hij heeft tijdens zijn studie niet kunnen werken en daardoor een flinke studieschuld opgebouwd. Het was destijds ook al duidelijk dat deze psychische problemen ongeneeslijk zijn en levenslang met medicatie en therapie behandeld moeten worden. Het was daarmee op voorhand al duidelijk dat een volledige participatie aan de arbeidsmarkt niet mogelijk zou zijn. Eiser brengt naar voren dat zijn werkende leven niet voorspoedig liep. Hij heeft veel van baan moeten wisselen, omdat hij ziek uitviel, en arbeidsovereenkomsten werden niet verlengd. Eiser is uiteindelijk in de WIA beland. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een brief van zijn psychiater uit 2024, een arbeidskundig rapport uit 2023 en medische dossierstukken uit het jaar 2000 ingebracht. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte geweigerd om eiser kwijtschelding te verlenen. Eiser voert in het kader van de evenredigheid ook aan dat hij tot 2024 niet op de hoogte was van een regeling voor kwijtschelding wegens medische omstandigheden en dat hij, ondanks meerdere malen verlies van werk en dupering door de toeslagenaffaire, tot 2021 altijd is blijven aflossen. Eiser vindt het gelet hierop niet redelijk dat verweerder nu tegenwerpt dat eiser zijn studieschuld, ondanks zijn persoonlijke omstandigheden, al die tijd heeft kunnen aflossen, en dat de studieschuld niet met terugwerkende kracht wordt kwijtgescholden.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Op grond van artikel 6.1b van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: de Wsf 2000) is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening, inclusief rente. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur. Op grond van de hardheidsclausule in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan verweerder echter voor bepaalde gevallen de terugbetalingsverplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
7.1
Verweerder voert bij de toepassing van deze hardheidsclausule een beleid dat inhoudt dat op verzoek een resterende studieschuld kan worden kwijtgescholden indien een debiteur in één van de volgende categorieën valt:
- terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;
- psychiatrische patiënten, mits een verklaring van de geneesheer-directeur aantoont dat de situatie uitzichtloos is;
- personen met een ernstige geestelijke handicap, op basis van een verklaring van de inrichting;
- personen die gedurende langere tijd in coma verkeren.
Naast de gevallen omschreven in het beleid, bestaat ruimte om in een bijzonder geval eveneens hardheid aan te nemen. In dit verband wordt er door verweerder getoetst of er sprake is van
“een vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie dat op grond daarvan een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt”. [2]
7.2
De achterliggende gedachte bij dit beleid is dat van debiteuren die in een dergelijke medisch uitzichtloze situatie verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Op grond van het beleid kan alleen een resterende studieschuld worden kwijtgescholden. Uit vaste rechtspraak [3] van de Centrale Raad van Beroep volgt dat dit kwijtscheldingsbeleid van verweerder niet onredelijk is en stringent mag worden toegepast.
8. Sinds het besluit van 24 november 2021 staat in rechte vast dat eiser geen openstaande studieschuld bij DUO meer heeft. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser reeds hierom heeft mogen afwijzen.
8.1
Verweerder mocht concluderen dat in dit geval van bijzondere omstandigheden die op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot afwijken van het beleid dwingen, niet is gebleken. De rechtbank begrijpt uit eiser zijn betoog dat zijn ziekte, het verliezen van werk en de toeslagenaffaire hem zwaar geraakt hebben en dat eiser hieronder geleden heeft én lijdt. Dat is invoelbaar. Verweerder mocht echter concluderen dat het niet onevenredig is om in het verleden afgeloste bedragen van een studielening niet terug te betalen aan eiser. Verweerder heeft dus geen aanleiding hoeven zien om van zijn beleid dat alleen resterende studieschulden kunnen worden kwijtgescholden af te wijken. Verweerder heeft daarom ook geen inhoudelijke beoordeling van de medische situatie van eiser hoeven maken.
8.2
Dat eiser niet eerder op de hoogte was van mogelijkheden voor kwijtschelding op medische gronden doet aan het voorgaande niet af en dient, wat daar ook van zij, voor eigen rekening en risico van eiser te komen.
8.3
De beroepsgronden slagen gelet op het voorgaande niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van zijn studieschuld met terugwerkende kracht heeft mogen afwijzen. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Eiser heeft daarom geen recht op terugbetaling van het griffierecht en ook geen recht op vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld met een stempel.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Agentschap van het ministerie van OC&W dat namens verweerder o.a. de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en daarmee samenhangende regelgeving uitvoert.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421, rechtsoverweging 1.4.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:546, rechtsoverweging 4.2.2.