Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.22887
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 4:17 AwbTijdelijke wet opschorting dwangsommen INDBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij asielaanvraag en toewijzing proceskosten

Eiser heeft op 5 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 7 mei 2023. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 januari 2025 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Eiser stelde op 20 mei 2025 opnieuw beroep in wegens het uitblijven van een besluit. Verweerder heeft op 6 augustus 2025 de asielaanvraag ingewilligd en de verbeurde dwangsommen toegekend. Eiser handhaafde het beroep en verzocht om aanvullende dwangsommen en proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen inmiddels zijn doel heeft bereikt en dat eiser geen procesbelang meer heeft. Daarnaast sluit de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND de oplegging van bestuurlijke dwangsommen uit. Daarom is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Wel veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van €467, omdat verweerder het besluit te laat nam en eiser terecht beroep instelde. De proceskosten zijn vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht met een lichte wegingsfactor.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €467.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.22887

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq)
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 5 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 7 mei 2023.
Bij uitspraak van 7 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep van 5 december 2023 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500. [2]
Op 20 mei 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Bij besluit van 6 augustus 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd en bepaald dat eiser aanspraak maakt op €7.500 aan verbeurde rechterlijke dwangsommen.
Desgevraagd heeft eiser het beroep gehandhaafd en de rechtbank verzocht om verweerder (aanvullend) dwangsommen op te leggen en verweerder in de proceskosten te veroordelen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met het bestreden besluit aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
2. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder dwangsommen op te leggen op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2022. [4] Nu de ingebrekestelling vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend, geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Nu artikel 1 van Pro deze wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat verweerder het besluit op de asielaanvraag van eiser te laat heeft genomen en eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [5] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Zaaknummer NL23.38139 (niet gepubliceerd).
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zaaknummer NL22.9002 (niet gepubliceerd).
5.Besluit proceskosten bestuursrecht.