ECLI:NL:RBDHA:2026:11596
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond: minister moet asielaanvraag Somalië opnieuw beoordelen
Eiseres, van Somalische nationaliteit en afkomstig uit een minderheidsstam, diende op 6 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 18 november 2025 af wegens ongeloofwaardigheid van haar relaas, met name over de problemen met haar ex-man en haar positie als alleenstaande vrouw.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte enkele tegenwerpingen heeft gemaakt, zoals de stelling dat de ex-man van eiseres bij het huwelijk op de hoogte moest zijn van haar stamafkomst. De rechtbank acht de verklaring van eiseres geloofwaardig dat haar ex-man niet op de hoogte was en dat diens intenties om met haar te hertrouwen niet ongerijmd zijn. Ook de ministerlijke twijfel over het in brand steken van de hutjes door de ex-man wordt verworpen.
Hoewel de rechtbank de verklaring over een incident in Nairobi als ongerijmd beschouwt, is dit onvoldoende om het beroep af te wijzen. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de wijze van horen niet volledig zorgvuldig was, onder meer door het ontbreken van een vrouwelijke tolk, maar dit vormt geen zelfstandig gebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en geeft de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij de zorgvuldigheid en geloofwaardigheid opnieuw moeten worden beoordeeld.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.868,- aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Schaberg en griffier E. Waal op 13 april 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.