Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling zijn genomen omdat Duitsland volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Tegen deze besluiten hebben verzoekers beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en er geen noodzaak is voor een voorlopige voorziening. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 11 mei 2026 door de voorzieningenrechter J.F.I. Sinack te Middelburg. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.