ECLI:NL:RBDHA:2026:11644
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard
De opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 27 maart 2026, waarin het beroep tegen het besluit van 25 februari 2026 om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, werd afgewezen. De reden was dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De opposant stelde dat er sprake is van een duurzame relatie met zijn partner die mede in het land van herkomst bestond, en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de overgelegde stukken en bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat de relatie volgens de verklaringen van de opposant in augustus 2024 in Nederland is ontstaan, waardoor niet is voldaan aan het vereiste dat de relatie reeds in het land van herkomst bestond. De overgelegde stukken veranderden dit oordeel niet. Ook waren de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende om overdracht aan Roemenië als onevenredige hardheid te beschouwen.
Daarom was er geen redelijke twijfel over het eerdere oordeel en werd het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van 27 maart 2026 blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.