ECLI:NL:RBDHA:2026:11646
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige maatregel van bewaring wegens niet-verifieerbare machtiging tot binnentreden
Eiser werd op 1 april 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was vanwege een niet-verifieerbare elektronische handtekening op de machtiging tot binnentreden.
De rechtbank oordeelde dat de handtekening op de machtiging niet verifieerbaar was en dat het later ingediende digitale bestand met een verifieerbare handtekening niet overeenkwam met de oorspronkelijke machtiging. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de machtiging rechtsgeldig was, wat een gebrek in het voortraject vormt.
Volgens vaste jurisprudentie leidt een onrechtmatigheid in het voortraject slechts tot onrechtmatigheid van de maatregel als de belangen van de maatregel niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. De rechtbank vond dat de belangen van de maatregel niet opwegen tegen het gebrek en de geschonden belangen, mede gelet op de aard van de maatregel en het feit dat verweerder de gelegenheid had gehad het gebrek te herstellen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en beval de opheffing van de maatregel met ingang van 15 april 2026. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.800,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.868,-.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard en opgeheven met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.