Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL24.28905
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over Gülenisme

Eisers, een vrouw en haar kinderen van Turkse nationaliteit, vroegen asiel aan vanwege de verdenking van aanhangen van de Gülenbeweging, een terroristische organisatie volgens Turkse autoriteiten. De vader van eisers zit een gevangenisstraf uit voor deelname aan de couppoging van 2016, maar werd vrijgesproken van lidmaatschap van de Gülenbeweging. De minister wees de asielaanvraag af omdat volgens hem eisers niet als Gülenaanhangers worden beschouwd.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet als Gülenaanhangers worden gezien. De vrijspraak van lidmaatschap in de strafrechtelijke procedure betekent niet dat de familie niet wordt gezien als aanhangers, zeker gezien het bestuursrechtelijke ontslag van de vader wegens banden met de beweging. Ook is de straf van dertien en een half jaar relatief hoog en wijkt af van gemiddelde straffen.

De rechtbank wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat de omstandigheden verschillen van andere zaken. De belangen van de kinderen moeten worden meegewogen bij een nieuw besluit. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt een herbeoordeling van de asielaanvraag binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.28905
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
[v-nummer 3]
[v-nummer 4]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, mede namens haar kinderen

[kind 1], [kind 2]en
[kind 3], allen van Turkse nationaliteit,
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Procesverloop

Eisers hebben op 29 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
25 juni 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] en [kind 1] namens eisers, de gemachtigde van eisers, E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eisers daarover hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hieronder zal zij verder toelichten hoe tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen het oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiseres haar man, de vader van de kinderen, was luitenant-kolonel in het Turkse leger. Hij is aangehouden als medeplichtig aan de couppoging van 2016. In eerste instantie was hij veroordeeld tot levenslang, dat later is omgezet naar dertien jaar en vier maanden. Als echtgenoot werd eiseres ook als verdachte gezien. Tijdens de zitting van haar man, is ook eiseres besproken in het kader van het voeren van seriegesprekken met een munttelefoon. Zij is in juli 2017 geschorst van haar werk als docente en kon haar werk eind oktober 2018, gedeeltelijk, hervatten. Eisers ervaren discriminatie in hun omgeving op verdenking van Gülenisme. De zoon van eiseres, [kind 1], heeft als gevolg van de verdenking vanwege Gülenisme ook gevolgen ervaren in de vorm van maatschappelijke uitsluiting en hij werd hierdoor niet toegelaten aan de militaire academie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst; en
  • toegedicht Gülenisme.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig is. Niet geloofwaardig is dat eisers door de Turkse autoriteiten als Gülenaanhanger worden aangemerkt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Toegedicht Gülenisme
5. De minister stelt zich op het standpunt dat het niet geloofwaardig is dat aan eisers het Gülenisme wordt toegedicht. Uit de uitspraak die zij hebben overgelegd blijkt dat de vader/man van eisers, alhoewel hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien en een half jaar voor deelname aan de couppoging in 2016, is vrijgesproken van lidmaatschap van de gewapende terreurorganisatie FETÖ/PDY [1] . Uit die vrijspraak blijkt volgens de minister dat de regering hem en dus ook zijn gezin, niet als Gülenaanhangers beschouwt. Eisers hebben verder hun leven tot en met hun vertrek op 29 september 2022 kunnen voortzetten zonder dat zij zijn vervolgd. Ook hebben zij legaal het land kunnen uitreizen zonder problemen. Er zijn dan ook geen indicaties dat eisers door de Turkse autoriteiten als Gülenaanhanger worden aangemerkt.
6. De rechtbank stelt vast dat het volgende door de minister geloofwaardig is geacht in het asielrelaas van eisers en niet in geschil is tussen partijen. De vader/man van eisers is veroordeeld voor een gevangenisstraf van dertien en een half jaar voor deelname aan de coup in 2016. Hij is in een bestuursrechtelijke procedure ontslagen uit overheidsdienst, vanwege verbondenheid en contact met FETÖ/PDY. Dit ontslag is op 12 april 2023 door de vijfde administratieve kamer van het Hof van Cassatie bevestigd. Eisers hebben op verschillende momenten en adressen negatieve politieaandacht ondervonden en zij hebben gedwongen hun dienstwoning verlaten na de veroordelingen van hun vader/man. Eiseres is geschorst geweest als docente vanwege vermeend Gülenisme. Later heeft zij gedeeltelijk haar werk kunnen hervatten. Eiseres is expliciet vermeld in het strafdossier van haar man. Aan eisers is ook eerder een uitreisverbod opgelegd, die later is opgeheven. Eiseres is bedreigd door een kolonel. [kind 1] is uitgesloten van de militaire academie en heeft in 2023 een telefoontje ontvangen, terwijl hij in Nederland was, dat hij zich bij de politie moest melden.
6.1
Eisers stellen dat voornoemde negatieve aandacht die zij sinds de veroordeling van eisers vader/man vanuit diverse lagen van de Turkse overheid hebben gekregen, is gelegen in het feit dat ook zij als aanhanger van Gülen worden gezien.
6.2
In beroep hebben eisers een schrijven van advocaat Erol Mersin van 9 mei 2024 overgelegd. Advocaat [naam] introduceert zich in dit schrijven als advocaat van eiseres en haar man en geeft aan dat hij heeft vernomen dat “
binnen operaties die worden uitgevoerd door de Afdeling Terrorismebestrijding voorbereidingen worden getroffen voor een onderzoek tegen mijn cliënte [eiseres]”.
7. In geschil is of aan eisers het Gülenisme wordt toegedicht.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers niet als Gülenaanhangers worden gezien. De motivering dat de man/vader van eisers in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken van lidmaatschap van de organisatie FETÖ/PDY vindt de rechtbank daartoe in ieder geval onvoldoende. Vaststaat dat de man/vader van eisers momenteel een straf uitzit van dertien en een half jaar voor deelname aan de couppoging in 2016. De rechtbank volgt de minister niet in de redenering dat de strafrechtelijke vrijspraak van het eveneens ten laste gelegde lidmaatschap van de FETÖ/PDY gelijk zou staan aan het niet toedichten van het aanhangen van die groep aan de man/vader van eisers en daarmee eisers. Er is namelijk maar één staatsgreep geweest in Turkije in 2016 en die is volgens de Turkse overheid gepoogd door Gülenaanhangers. Het is bovendien juist opmerkelijk dat de man/vader van eisers een relatief hoge veroordeling heeft gekregen van dertien en een half jaar. Uit landeninformatie blijkt immers dat er gemiddeld zeven en een half jaar is opgelegd aan deelnemers van de couppoging en dat de meesten van deze veroordeelden na zes en een half jaar vrij zijn gekomen [2] , hetgeen niet van toepassing is op de man/vader van eisers. De enkele vrijspraak in het strafrecht betekent dan ook niet dat eisers man/vader niet langer gezien zou worden als een Gülenist.
7.2.
Sterker nog, eisers man/vader is door de Turkse overheid juist ontslagen omdat hij ten minste op het niveau van contact en verbondenheid banden had met de Gülenbeweging. Dit ontslag is door eisers man/vader bestuursrechtelijk aangevochten maar tot aan het Hof van Cassatie in stand gebleven. Het argument van de minister ter zitting, dat de uitspraak van de strafrechter belangrijker is dan die van de bestuursrechter voor de beoordeling van het toegedichte Gülenisme en dat de uitspraak bij de strafrechter nog geen kracht van gewijsde had ten tijde van de uitspraak van de bestuursrechter, volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de bestuursrechter blijkt dat ten tijde van die uitspraak het hoger beroep al was verworpen en dat die zaak zich in de cassatiefase bevond. [3] Er lag dus toen al de strafrechtelijke vrijspraak voor het lidmaatschap van de organisatie FETÖ/PDY en toch heeft de bestuursrechter geoordeeld dat hij in het bestuursrecht wel wordt gezien als Gülenaanhanger. Bovendien gelden in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder.
8. De minister heeft aldus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eisers man/vader, en daardoor eisers, niet als een Gülenaanhanger wordt gezien. De beroepsgrond slaagt reeds hierom.
8.1.
De minister dient de onder 6. weergegeven feiten en omstandigheden opnieuw te beoordelen in het licht van het voorgaande. Daarbij moeten ook de stukken en de verklaringen die in beroep zijn overgelegd worden betrokken, als ook in het licht over wat er algemeen bekend is over Turkije. Met betrekking tot de legale uitreis is bijvoorbeeld van belang dat de minister de informatie uit de het algemeen ambtsbericht van Turkije van februari 2025 betrekt, waarin staat dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn. [4] De rechtbank verwijst verder naar paragraaf 4.3 en 4.5 van voormeld ambtsbericht. Hierin staat onder andere dat verdenking van Gülenisme structureel en lang kan doorwerken en zich ook kan uitspreiden naar familieleden.
Gelijkheidsbeginsel
9. Eisers hebben verder aangevoerd dat hun asielaanvraag vanwege de gelijkenissen met andere zaken ook ingewilligd had moeten worden. Zij doen hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het niet gaat om vergelijkbare zaken, omdat er meerdere rechtens relevante verschillen tussen de zaken zijn.
9.2.
De rechtbank volgt de minister hierin. In de zaken die eisers hebben benoemd is het toegedicht Gülenisme wel aangenomen. Daar waren de betrokkenen zelf lid van de Gülenbeweging waarin in sommige van die zaken ook een officiële vervolging was ingesteld. De rechtbank acht dat belangrijke elementen die verschillen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
De kinderen
10. Ten overvloede wijst de rechtbank de minister nog op de uitspraken [5] van de Afdeling [6] waarin is geoordeeld dat er een verplichting is voor de minister om kinderen in de gelegenheid te stellen om hun mening te uiten en om hun stem te laten horen. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, vormen de belangen van het kind namelijk de eerste overweging. [kind 2] en [kind 3] zijn inmiddels dertien jaar oud en willen misschien hun stem laten horen. De minister moet hun belangen ook meenemen in een nieuw te nemen besluit.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de asielaanvraag van eisers ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat de minister opnieuw een beoordeling moet maken over het asielrelaas van eisers. De minister moet daarbij deze uitspraak in acht nemen. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
12. Het beroep is gegrond en de minister moet de proceskosten van eisers vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten vast op €1.868,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. [7]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is de benaming die de overheid geeft aan de Gülenbeweging, waarmee het als terroristische organisatie wordt omschreven.
2.Op pagina 47 van het Algemeen Ambtsbericht over Turkije van februari 2025.
3.Op de derde pagina van de vertaling van het vonnis staat: “(…) veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens misdrijf van poging tot omverwerping van de constitutionele orde, dat het ingestelde hoger beroep is verworpen en dat de zaak zich in de cassatiefase bevindt.”.
4.Op pagina 20.
5.Van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3899-3901.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.