Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.63916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 december 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiseres en haar minderjarige dochter, waarbij zij verplicht werden te verblijven op een gezinslocatie in een bepaalde gemeente. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde onder meer aan dat de maatregel disproportioneel is en onvoldoende is gemotiveerd, mede vanwege haar psychische klachten en de impact op haar dochter die gewend was aan een andere opvanglocatie.

De rechtbank behandelde het beroep op 8 mei 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister de maatregel op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet terecht heeft opgelegd, omdat eiseres niet voldeed aan de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten, geen vaste woon- of verblijfsplaats had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte.

De rechtbank stelde vast dat de minister de belangen van eiseres en haar dochter heeft meegewogen, waaronder de medische situatie en het schoolbezoek van de dochter, en dat de voorzieningen op de gezinslocatie adequaat zijn. De rechtbank vond de motivering van de minister deugdelijk en de maatregel niet disproportioneel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel is rechtmatig bevonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63916

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [v-nummer:],
alsmede namens haar minderjarige dochter:

[naam],

V-nummer(s); [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. De minister heeft op 22 december 2025 aan eiseres een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw [1] (de maatregel).
1.1.
Eiseres heeft tegen de maatregel beroep ingesteld en heeft gronden ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Beslissing
2. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de maatregel rechtmatig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Besluitvorming
3. De minister heeft eiseres op grond van artikel 56 van Pro de Vw verplicht om met ingang van 29 december 2025 met haar minderjarige dochter te verblijven in de gemeente [plaats], waar zij zich op de vbl [2] in (gezinslocatie) [plaats] dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiseres niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiseres niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft zij onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft in aanvulling hierop overwogen dat een eventuele herhaalde asielaanvraag of een reguliere aanvraag door eiseres niet betekent dat het verblijf op de gezinslocatie eindigt en de vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden opgeheven, omdat gedurende de aanvraagprocedure opvang wordt geboden, zodat aan het vereiste van opvang wordt voldaan en de reisbewegingen niet toenemen.
Wet en regelgeving
4. Op grond van artikel 56, eerste lid van de Vw kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dit vordert, de minister de bewegingsvrijheid beperken van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft of rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.
4.1.
Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Vw blijft toepassing van het eerste lid achterwege wanneer, dan wel wordt de toepassing beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
4.2.
In paragraaf A5.1. van de Vc [3] staat vermeld dat, anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vw, een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zal zijn indien deze nodig is voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling. Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling voor het vertrekproces.
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres voert aan dat het besluit van de minister ondeugdelijk gemotiveerd en disproportioneel is. Niet is gebleken dat de minister heeft afgewogen of, gelet op de door eiseres aangevoerde omstandigheden, een minder ingrijpende maatregel mogelijk was. Zo heeft eiseres aangevoerd dat zij kampt met psychische klachten, waaronder angst en paniekaanvallen. Daarnaast voert eiseres aan dat haar minderjarige dochter ernstig wordt geraakt door de maatregel, nu zij gewend was aan de azc-locatie in Zutphen, daar naar school gaat, goed presteert en opnieuw zal moeten wennen aan een nieuwe locatie. Dit heeft niet alleen gevolgen voor haar opleiding en ontwikkeling, maar ook mentaal zal dit een impact op haar hebben. Verder voert eiseres aan dat zij zich zorgen maakt over haar echtgenoot, omdat hij zelfmoord wil plegen. Eiseres stelt dat de minister aan deze bezwaren volledig is voorbijgegaan.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen en dat de minister gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de maatregel deugdelijk heeft gemotiveerd en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze maatregel disproportioneel is. Uit de maatregel blijkt dat de minister de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder haar medische situatie en het feit dat haar dochter naar school gaat, bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom deze omstandigheden voor hem geen aanleiding vormen om van het opleggen van de maatregel af te zien. Zo heeft de minister in de maatregel overwogen dat het welzijn van eiseres en haar dochter voldoende is gewaarborgd, nu haar dochter op de gezinslocatie onderwijs kan volgen en de noodzakelijke voorzieningen en faciliteiten om de schoolgang te waarborgen in de nabijheid van de gezinslocatie beschikbaar zijn. Daarnaast is overwogen dat op de gezinslocatie medische voorzieningen aanwezig zijn en dat, indien medische zorg noodzakelijk is voor eiseres, haar echtgenoot of hun dochter, zij zich kunnen wenden tot het GZA. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een plaatsgebonden medische behandeling voor de overige door eiseres gestelde medische klachten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vrijheidsbeperkende locatie.
3.Vreemdelingencirculaire.