ECLI:NL:RBDHA:2026:1171

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.39996
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:6 VbArt. 30c Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2001/55/EGTerugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nieuw terugkeerbesluit en bevriezingsmaatregel in vreemdelingenrecht

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, betwistte het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 waarin zijn recht op tijdelijke bescherming en de bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025 werden bevestigd. Hij stelde dat hij rechtmatig verblijf had en dat zijn asielprocedure nog liep.

De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was het nieuwe terugkeerbesluit te nemen, ook al gold de bevriezingsmaatregel. De asielaanvraag van eiser was met een besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld, wat in rechte vaststaat. Het beroep op lopende asielprocedure faalde daarom.

Verder stelde eiser dat hij voorafgaand aan het besluit gehoord had moeten worden en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden, mede vanwege zijn economische situatie. De rechtbank verwierp deze stellingen, stellende dat het indienen van een zienswijze voldoende was en dat geen individuele belangenafweging vereist is bij het opleggen van een terugkeerbesluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier E.A. Ruiter op 26 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39996

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een nieuw terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op 31 juli 2025 bevoegd was een nieuw terugkeerbesluit uit te vaardigen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser had in Nederland recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB). [1] Met het besluit van 7 februari 2024 is dat recht beëindigd op 4 maart 2024 en is een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Eiser had op grond van een tijdelijke bevriezingsmaatregel recht op opvang en recht om te werken tot 4 september 2025.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening [2] ingediend. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek een voorlopige voorziening getroffen, waarin is bepaald dat eiser dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van RTB valt totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard, omdat de minister het terugkeerbesluit te vroeg heeft genomen. [3]
2.3.
Met het besluit van 31 juli 2025 (bestreden besluit) heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen. Daarin is eiser bericht dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en Nederland.
2.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [4] , op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 31 juli 2025. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna zullen worden besproken. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep op artikel 3 van Pro het EVRM [5] ingetrokken. De rechtbank bespreekt dat dus niet.
Nieuw terugkeerbesluit
4. Eiser voert aan dat de minister het terugkeerbesluit prematuur heeft genomen. Eiser is van mening dat hij op grond van de bevriezingsmaatregel in ieder geval tot
4 september 2025 rechtmatig verblijf had in Nederland. Volgens eiser was in ieder geval geen sprake van illegaal verblijf. Hij stelt verder dat zijn asielaanvraag nog loopt en dat hij om die reden nog steeds rechtmatig in Nederland verblijft. Daarbij wijst eiser op het arrest Kaduna [6] van het Hof [7] en artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op 31 juli 2025 bevoegd was een nieuw terugkeerbesluit uit te vaardigen. Dat het eiser met de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te verblijven en te werken, maakt niet dat geen terugkeerbesluit mocht worden genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling [8] van 31 oktober 2025 [9] . De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat sprake is van een lopende asielprocedure waardoor hij nog steeds rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft namelijk eisers asielaanvraag van 18 juli 2022 met het besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. [10] De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangegeven dat tegen dit besluit geen beroep is ingesteld. Daarmee staat dat besluit in rechte vast.
Horen en belangenafweging
5. Eiser voert aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vereisen dat hij voorafgaand aan het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit had moeten worden gehoord. Pas na een gehoor kan de minister een individuele toetsing toepassen en een belangenafweging maken. Daarbij dient de minister te onderzoeken of eiser valt onder een andere beperking in de zin van artikel 3:6 en Pro volgende van het Vb [11] . Daarbij had een belangenafweging moeten plaatsvinden waarbij het economisch belang van Nederland en het feit dat eiser al geruime tijd werkzaam is in Nederland had moeten worden betrokken.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel doordat hij niet gehoord is. Uit rechtspraak van het Hof [12] volgt dat het recht om te worden gehoord het recht inhoudt om – voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd – het standpunt hierover kenbaar te maken. Eiser is met het indienen van de zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit in de gelegenheid gesteld zijn standpunt daarover uiteen te zetten. Dat eiser niet in persoon is gehoord, maakt niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid of dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet verplicht was om bij het opleggen van een terugkeerbesluit ambtshalve te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van een beperking in de zin van artikel 3.6 van het Vb. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit de RTB. Indien eiser meent dat hij voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Het door eiser gestelde economische belang van zijn verblijf in Nederland en dat hij hier een bestaan heeft opgebouwd staat evenmin aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg. Voor een individuele belangenafweging is geen plaats.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het terugkeerbesluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG.
2.Zaak NL24.8018.
4.Zaak NL25.39998.
5.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 december 2024, C-290/24 (Kaduna en Abkez), ECLI:EU:C:2024:1038.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
11.Vreemdelingenbesluit 2000.
12.Zie bijvoorbeeld de arresten Mukarubega van 5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336 en Boudjlida van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431.