ECLI:NL:RBDHA:2026:1180
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening in het kader van tijdelijke bescherming voor Oekraïners
Op 1 september 2025 ontving verzoeker een voornemen van de minister van Asiel en Migratie, waarin werd aangegeven dat de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG beëindigd zou worden. Dit besluit werd op 27 november 2025 bevestigd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 13 januari 2026 ontving verzoeker een bericht van de minister om zich binnen twee weken in Ter Apel te melden voor zijn asielaanvraag, wat de urgentie van zijn verzoek om een voorlopige voorziening vergrootte. De voorzieningenrechter besloot geen zitting te houden, omdat dit in deze zaak niet nodig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed, gelet op de belangen van verzoeker, die gebruik maakt van gemeentelijke opvang en een fulltime arbeidscontract heeft. De minister betwistte de spoedeisendheid niet. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit mogelijk niet in stand zal blijven, gezien de gronden die verzoeker heeft aangevoerd. De aangevoerde beroepsgronden roepen vragen op die nader onderzoek vereisen, wat betekent dat er een redelijke kans van slagen is voor verzoeker.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening toe, waarbij de minister werd opgedragen verzoeker te behandelen alsof hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, voorzieningenrechter, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.