ECLI:NL:RBDHA:2026:1180
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense asielzoeker
Verzoeker ontving een voornemen en later een besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming werd beëindigd. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat verzoeker gebruikmaakt van gemeentelijke opvang voor Oekraïners en een fulltime arbeidscontract heeft. De minister betwistte dit niet. De rechter kon niet uitsluiten dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand houdt, mede omdat verzoeker aannemelijke gronden had aangevoerd, waaronder het huwelijk en samenwonen met een Oekraïense partner ten tijde van de gebeurtenissen.
De belangenafweging viel uit in het voordeel van verzoeker, omdat het belang van de minister bij afwijzing onvoldoende concreet was onderbouwd. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij de minister werd opgedragen verzoeker te behandelen alsof hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister wordt opgedragen verzoeker te behandelen alsof hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt.