Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11873

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL26.22849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging maatregel bewaring vreemdeling na zes maanden gegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is op 15 april 2026 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank toetste of voldaan was aan de voorwaarden voor verlenging, waaronder het ontbreken van benodigde documentatie uit derde landen en het niet meewerken van de vreemdeling aan zijn uitzetting. Hoewel eiser meewerkte aan zijn presentatie, stelde de rechtbank vast dat hij geen eigen inspanningen had verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. De gronden voor bewaring, waaronder het risico op het ontduiken van toezicht en het belemmeren van de uitzettingsprocedure, werden als feitelijk juist beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door regelmatige rappelverzoeken aan de Gambiaanse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken met eiser. Er was zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het verzoek van eiser om een lichter middel werd afgewezen omdat de bewaring noodzakelijk en proportioneel was.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was verlengd en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22849

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

De minister heeft op 19 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Bij besluit van 15 april 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 mag de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden worden verlengd als de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen als de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt (voorwaarde a) of als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting (voorwaarde b).
1.1.
De minister moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi [1] voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. [2]
Wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring?
2. De minister heeft de onder 1. genoemde voorwaarden a en b tegengeworpen. Eiser heeft niet betwist dat de minister kon tegenwerpen dat de benodigde documentatie van de Gambiaanse autoriteiten nog ontbreekt, zodat de minister alleen al daarom aan artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 voldoet. Eiser voert wel aan dat de minister ten onrechte voorwaarde b ten grondslag heeft gelegd aan het verlengingsbesluit. Het verwijt dat hij niet meewerkt aan het verkrijgen van zijn identiteitsdocument is een standaardverwijt dat in zijn zaak niet van toepassing is. De identiteit van eiser is namelijk niet in geschil en hij heeft zijn volledige medewerking gegeven aan de presentatie in persoon op 26 februari 2026.
2.1.
Ook in zoverre slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht voorwaarde b ten grondslag heeft gelegd aan de verlenging van de maatregel van bewaring. Hoewel de identiteit van eiser niet in geschil is en hij heeft meegewerkt tijdens de presentatie, heeft eiser zelf geen inspanningen verricht die zijn terugkeer kunnen bespoedigen. Zo heeft eiser bijvoorbeeld niet geprobeerd om zelfstandig aan een vervangend reisdocument te komen.
Kunnen de gronden van bewaring de maatregel dragen?
3. In het verlengingsbesluit heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, als
zware grondenvermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser heeft de gronden niet betwist. Naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3b en 3c in ieder geval feitelijk juist. Deze gronden zijn al voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op 24 oktober 2025 is een laissez-passer (lp) aanvraag verstuurd aan de Gambiaanse autoriteiten. Vervolgens heeft het tot 26 februari 2026 geduurd totdat eiser werd gepresenteerd. Op 12 maart 2026 is zijn nationaliteit bevestigd door de Gambiaanse autoriteiten. Op 18 maart 2026 heeft de minister een vlucht geboekt voor 10 april 2026. Nadat deze vlucht op 9 april 2026 werd geannuleerd heeft de minister, behalve een rappelverzoek op 30 april 2026, niets meer gedaan om de uitzetting te effectueren.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister werkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport volgt dat de minister één of twee keer per maand rappelleert bij de Gambiaanse autoriteiten. De laatste keer heeft de minister gerappelleerd op 30 april 2026. Daarnaast heeft de minister regelmatig een vertrekgesprek met eiser gehouden, waarvan de laatste keer op 10 april 2026 was. Verder hebben de Gambiaanse autoriteiten op 8 april 2026 verzocht om een verwijderbaarheidsbrief waaruit blijkt dat eiser geen lopende verblijfsprocedures heeft. De minister heeft deze brief op 9 april 2026 verzonden. Bovendien heeft de minister na de zitting laten weten dat de Dienst Terugkeer & Vertrek de zaak van eiser binnenkort op hoog niveau met de diplomatieke vertegenwoordiger van Gambia gaat bespreken. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de toelichting van de minister te twijfelen.
Bestaat er zicht op uitzetting?
5. Eiser voert verder aan dat geen zicht op uitzetting bestaat. Hij wijst in dat kader op het feit dat al op 24 oktober 2025 de lp-aanvraag is verstuurd aan de Gambiaanse autoriteiten. Op 12 maart 2026 is zijn nationaliteit door de Gambiaanse autoriteiten bevestigd, maar sindsdien is er niets meer gebeurd. Het feit dat hij hier nu nog steeds is, speelt op hoger niveau bij de Gambiaanse autoriteiten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia bestaat. [3] Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat deze situatie veranderd is. Ook is niet gebleken dat in het specifieke geval van eiser het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Bovendien hebben de Gambiaanse autoriteiten op 8 april 2026, nadat de nationaliteit van eiser bevestigd was, nog verzocht om een zogenoemde verwijderbaarheidsbrief.
Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
6. Eiser betoogt tot slot dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. De lange detentieperiode valt hem steeds zwaarder. Hij is bereid om zo lang als nodig aan zijn meldplicht te voldoen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het verlengingsbesluit gemotiveerd waarom hij het noodzakelijk vindt om eiser in bewaring te stellen en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen. Zoals overwogen in 3.1 zijn er voldoende gronden die de maatregel kunnen dragen. Eiser heeft bovendien geen concrete persoonlijke belangen naar voren gebracht die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel op te leggen. De enkele duur van de bewaring is daarvoor onvoldoende.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie 5 juni 2014, Bashir Mohamed Ali Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320.
2.ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3003.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).