Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
26.8743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbDublin-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting.

De rechtbank onderzoekt ambtshalve of eiser nog procesbelang heeft. Uit een melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) blijkt dat eiser op 10 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft verklaard geen contact meer te hebben met eiser en weet niet waar hij verblijft. Er is geen recente informatie die wijst op voortgezet contact of belang bij de procedure.

Gezien het fundamentele recht op toegang tot de rechter wordt terughoudend omgegaan met niet-ontvankelijkheid op basis van een MOB-melding. Echter, in dit geval is vastgesteld dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en geen actueel belang meer heeft. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8743

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Op 6 maart 2026 heeft de minister een brief in het dossier geüpload waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het COa. [3] Uit deze melding blijkt dat eiser op 10 februari 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 24 februari en op 9 maart 2026 verzocht aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser en of nog procesbelang bestaat. De gemachtigde van eiser heeft op 25 februari en 9 maart 2026 aangegeven geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. Ook nadien heeft de gemachtigde niet laten weten (weer) contact te hebben met eiser.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. [4]
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser zich na de MOB-melding weer heeft gemeld bij het COa. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3.3.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het beroep dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.2554.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).