ECLI:NL:RBDHA:2026:11982

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 31 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank had de maatregel al driemaal eerder getoetst en oordeelde dat deze tot 17 april 2026 rechtmatig was.

Na het sluiten van het onderzoek op 17 april 2026 werd beoordeeld of de maatregel daarna rechtmatig was gebleven. De minister hief de maatregel op 8 mei 2026 op, waarna een nieuwe maatregel werd opgelegd. Eiser stelde dat de maatregel niet tijdig was omgezet, omdat zijn asielaanvraag was afgewezen zonder omzetting.

De rechtbank stelde vast dat de asielaanvraag op 29 april 2026 als kennelijk ongegrond was afgewezen, waarbij de rechtsgevolgen gedurende de beroepstermijn werden opgeschort. Hierdoor had eiser rechtmatig verblijf tijdens die periode en was omzetting van de maatregel niet vereist. De maatregel werd tijdig omgezet na afloop van de beroepstermijn. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24605

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: H.R. Nobel).

Inleiding

1. De minister heeft op 31 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op 8 mei 2026 gereageerd, waarna de minister op 12 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.3.
De minister heeft op 8 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 13 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 17 april 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Oordeel van de rechtbank
4. Eiser heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Er is immers beslist op de asielaanvraag en omzetting van de maatregel heeft niet plaatsgevonden.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers asielaanvraag met het besluit van 29 april 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Uit dit besluit volgt dat de rechtsgevolgen daarvan gedurende de beroepstermijn worden opgeschort en eiser gedurende die periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De minister was daarom gedurende de beroepstermijn niet gehouden de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. De beroepstermijn eindigde op 6 mei 2026. Vervolgens is de maatregel op 8 mei 2026 opgeheven en is aansluitend een nieuwe maatregel opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel daarmee tijdig is omgezet.
4.2.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 17 april 2026 op enig moment onrechtmatig was. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer: NL26.20053.
4.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).