Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11989

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699069 / FA RK 26-1177
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige partner- en kinderalimentatie na onvoldoende onderbouwing en tijdelijke zorgwijziging

Partijen zijn gehuwd en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. De man betaalt voorlopige partner- en kinderalimentatie aan de vrouw op basis van een beschikking van 29 januari 2026. De vrouw verzoekt wijziging van deze voorlopige voorzieningen, stellende dat de omstandigheden zijn gewijzigd en dat de rechtbank destijds is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.

De vrouw stelt dat zij financiële stukken en alimentatieberekeningen heeft overgelegd die haar behoefte aantonen, maar de rechtbank oordeelt dat deze stukken reeds bekend waren en dat de voorzieningenrechter destijds tot een weloverwogen oordeel is gekomen. De rechtbank verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de partneralimentatie.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelt de vrouw dat de minderjarige dochter sinds 23 februari 2026 volledig bij haar verblijft, waardoor een lagere zorgkorting passend zou zijn. De man betwist dat er sprake is van een duurzame wijziging. De rechtbank concludeert dat de wijziging tijdelijk is en dat de eerdere 50/50 zorgregeling naar verwachting wordt hervat, waardoor ook het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie wordt afgewezen.

De man verzoekt veroordeling van de vrouw in de proceskosten, maar de rechtbank wijst dit af en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van voorlopige partner- en kinderalimentatie en wijst het verzoek af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1177
Zaaknummer: C/09/699069
Datum beschikking: 15 april 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 5 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[naam 1],
de vrouw ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[naam 2],
de man ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • de brief van 24 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 27 maart 2025 van de zijde van de man, met bijlage.
Op 1 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2006 te [plaats] met elkaar gehuwd.
- Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1]
,en het meerderjarige kind [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats 2] .
- De man heeft de Duitse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

Verzoek en verweer

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 29 januari 2026 is – voor zover hier aan de orde –:
- bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum beschikking voorlopig
een kinderalimentatie ten behoeve van [naam minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 461,- per maand zal betalen,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat het verzoek van de vrouw om een voorlopige partneralimentatie
wegens onvoldoende onderbouwing wordt afgewezen.
De vrouw verzoekt thans voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank:
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.750,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 22 juli 2025 en subsidiair met ingang van 27 november 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 700,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 22 juli 2025 en subsidiair met ingang van 27 november 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd en dat de rechtbank bij het geven van de beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling

Partneralimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.
De vrouw is van mening dat de beschikking niet ongewijzigd in stand kan blijven omdat bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking nemende de beschikking niet ongewijzigd in stand kan blijven.
In de vorige voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen omdat zij, aldus de rechtbank, haar stelling dat zij behoefte heeft aan voorlopige partneralimentatie, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zij heeft, aldus de rechtbank, geen financiële stukken of berekeningen overgelegd waaruit haar behoefte, dan wel haar aanvullende behoefte, kan worden afgeleid. Nu de vrouw, aldus de rechtbank, heeft nagelaten haar verzoek deugdelijk te onderbouwen, heeft de rechtbank het verzoek wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen.
De vrouw stelt dat het erop lijkt dat de rechtbank bij haar beslissing over het hoofd heeft gezien dat zij bij het indienen van het verzoekschrift twee berekeningen en diverse financiële stukken heeft overgelegd. De vrouw heeft een loonstrook van haarzelf, een jaaropgave 2024 van haarzelf, een jaaropgave 2024 van de man en drie loonstroken van de man overgelegd bij het indienen van het verzoek. Deze stukken zijn in november 2025 als productie 6, 7 en 8 bij het verzoekschrift gevoegd. Daarnaast heeft de vrouw eveneens in november 2025 een tweetal alimentatieberekeningen ingediend als productie 9 en 10. In deze berekeningen wordt de behoefte van de vrouw berekend conform de Hof methode. Gelet hierop stelt de vrouw dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man kan zich niet verenigen met de stellingen van de vrouw en is van mening dat sprake is van een verkapt hoger beroep. Tijdens de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure is tijdens de zitting uitvoerig stilgestaan bij de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw. De waarnemend advocaat van de vrouw heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in een voorlopige voorzieningenprocedure geen nadere onderbouwing nodig is voor de stelling dat iemand behoeftig is. Daarbij is door de voorzieningenrechter opgemerkt dat ook uit de overgelegde stukken verder geen nadere onderbouwing bleek. Volgens de man had het in de rede gelegen om het standpunt omtrent de behoeftigheid, waar nodig, tijdens de zitting nader te onderbouwen. In plaats daarvan is volgehouden dat een nadere onderbouwing niet noodzakelijk was, ook nadat de voorzieningenrechter had aangegeven dat dit onjuist was.
Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in haar eerdere beschikking duidelijk gemaakt dat zij kennis heeft genomen van de ingediende stukken. Volgens de man is het enkel overleggen daarvan echter onvoldoende; er dient voorafgaand aan of tijdens de zitting expliciet een beroep te worden gedaan op de ingediende stukken. De vrouw heeft nagelaten haar standpunt over de behoeftigheid nader te onderbouwen, ook in reactie op het verweer van de man. De man stelt dat de vrouw hiermee feitelijk probeert reeds ingediende stukken alsnog als niet-beoordeeld te laten gelden om een wijziging te rechtvaardigen, wat neerkomt op een verkapt hoger beroep. Dit kan volgens hem niet aan de rechtbank worden tegengeworpen, maar komt voor rekening van de procesorde. De man concludeert dan ook dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals al blijkt uit de tekst van de wet geldt bij de toepassing van artikel 824 lid 2 Rv Pro dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de voorziening mogelijk is. Met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden.
De door de vrouw genoemde stukken worden in de beschikking van 29 januari 2026 onder het kopje ‘Procedure’ expliciet genoemd. Daarom moet worden aangenomen dat de voorzieningenrechter van deze stukken kennis heeft genomen en geen relevante informatie heeft gemist. Verder blijkt uit de zittingsaantekeningen van die procedure dat tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is stilgestaan bij de behoefte en behoeftigheid van de vrouw in het kader van de partneralimentatie. Daarbij heeft de voorzieningenrechter expliciet aangegeven dat deze, zelfs binnen het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure, onvoldoende waren onderbouwd.
Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat de voorzieningenrechter destijds tot een weloverwogen oordeel is gekomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dus niet gebleken dat bij het geven van de beschikking van 29 januari 2026 in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank zal de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De vrouw stelt dat ook ten aanzien van de kinderalimentatie sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 824 tweede Pro lid Rv, nu de feitelijke situatie tussen partijen is veranderd. De dochter van partijen, [naam minderjarige] , verblijft -na een woordenwisseling met haar vader- met ingang van 23 februari 2026 volledig bij de vrouw. Hoewel het contact met de man recentelijk enigszins is hervat, rechtvaardigt dit volgens de vrouw geen zorgkorting van 35%. De vrouw verwacht weliswaar dat het contact verder zal worden hersteld, maar acht een gelijkwaardige zorgverdeling niet aannemelijk. Tegen die achtergrond stelt zij dat een zorgkorting van 15% met ingang van 1 maart 2026 beter aansluit bij de feitelijke situatie. Op basis hiervan verzoekt de vrouw om wijziging van de kinderalimentatie.
De man voert verweer en erkent dat [naam minderjarige] de afgelopen periode meer bij de vrouw is geweest. Volgens de man is er echter nog steeds sprake van regelmatig contact tussen hem en [naam minderjarige] . [naam minderjarige] eet ook nog gewoon bij de man. Hoewel [naam minderjarige] er momenteel zelf voor kiest om tijdelijk meer bij de vrouw te verblijven, heeft deze situatie geen bestendig karakter. Van een structurele wijziging van omstandigheden is dan ook geen sprake, zodat volgens de man geen grond is om de eerdere beschikking te wijzigen.
De rechtbank overweegt als volgt. Ook hier geldt dat de wetgever hoge eisen aan het wijzigen van een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen stelt. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat dit het nemen van een nieuwe beschikking rechtvaardigt. Daartoe overweegt de rechtbank dat [naam minderjarige] weliswaar gedurende enkele weken bij de vrouw heeft verbleven, maar dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen er, samen met [naam minderjarige] , vanuit gaan dat de eerdere 50/50 zorgregeling op korte termijn zal worden hervat. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie door de vrouw en [naam minderjarige] als een verandering is ervaren, is onvoldoende gebleken dat deze wijziging een duurzaam karakter heeft.
Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de eerdere beschikking, alle betrokken belangen in aanmerking nemend, niet in stand kan blijven. De rechtbank zal de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
Proceskosten
De man verzoekt de rechtbank de vrouw te veroordelen in de proceskosten, omdat hij van mening is dat hij onnodig kosten heeft moeten maken voor een procedure waarvan de uitkomst niet aan de rechtbank te wijten is.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van misbruik van procesrecht door in de gegeven omstandigheden een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen in te dienen, ook al wordt dit verzoek niet toegewezen. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen, en de rechtbank bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2026.