Partijen zijn gehuwd en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. De man betaalt voorlopige partner- en kinderalimentatie aan de vrouw op basis van een beschikking van 29 januari 2026. De vrouw verzoekt wijziging van deze voorlopige voorzieningen, stellende dat de omstandigheden zijn gewijzigd en dat de rechtbank destijds is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
De vrouw stelt dat zij financiële stukken en alimentatieberekeningen heeft overgelegd die haar behoefte aantonen, maar de rechtbank oordeelt dat deze stukken reeds bekend waren en dat de voorzieningenrechter destijds tot een weloverwogen oordeel is gekomen. De rechtbank verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de partneralimentatie.
Ten aanzien van de kinderalimentatie stelt de vrouw dat de minderjarige dochter sinds 23 februari 2026 volledig bij haar verblijft, waardoor een lagere zorgkorting passend zou zijn. De man betwist dat er sprake is van een duurzame wijziging. De rechtbank concludeert dat de wijziging tijdelijk is en dat de eerdere 50/50 zorgregeling naar verwachting wordt hervat, waardoor ook het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie wordt afgewezen.
De man verzoekt veroordeling van de vrouw in de proceskosten, maar de rechtbank wijst dit af en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.