ECLI:NL:RBDHA:2026:1208

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring ondanks gezondheidsklachten en medewerking

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling geboren in 1991, is sinds 23 oktober 2025 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder op 12 november 2025 geoordeeld dat de maatregel tot die datum rechtmatig was. Het beroep richt zich op het voortduren van de bewaring na die datum.

Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting, dat hij detentieongeschikt is en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Verweerder heeft echter meerdere vertrekgesprekken gevoerd en rappels gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht ontbreekt op uitzetting.

De rechtbank neemt het standpunt van verweerder over dat een lichter middel niet doeltreffend is en dat eiser niet detentieongeschikt is, mede gelet op de medische beoordeling binnen de detentie. De ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3183

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 19 januari 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Bij brief van 22 januari 2026 heeft verweerder desgevraagd een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 5 november 2025, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 5 november 2025.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er hebben slechts drie vertrekgesprekken plaatsgevonden tijdens de bewaring van eiser. Er zijn door verweerder uitsluitend rappels verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten en er is geen concrete afspraak gepland. Ook is onduidelijk welke documenten aan de Marokkaanse autoriteiten zijn overgelegd en is er geen zicht op afgifte van een lp. [3] Eiser wijst er daarnaast op dat hij volledig voldoet aan zijn medewerkingsplicht. Verder voert eiser aan dat hij detentieongeschikt is en dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Het verblijf in het detentiecentrum kan eiser niet langer volhouden. Eiser vreest dat zijn gezondheidstoestand verder zal verslechteren, omdat hij eigenlijk in een gespecialiseerde instelling zou moeten verblijven. Dit heeft verweerder ten onrechte niet betrokken bij de individuele belangenafweging.
5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder sinds 5 november 2025 twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en vier keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarmee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. Dat geen zicht is op afgifte van een lp wordt ook niet gevolgd. Zoals de rechtbank reeds in haar uitspraak van 12 november 2025 heeft geoordeeld, ontbreekt het zicht op uitzetting Marokko in het algemeen niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het individuele geval van eiser ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven.
7. De rechtbank overweegt verder dat zij in de uitspraak van 12 november 2025 heeft geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 6 van deze uitspraak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat eiser inmiddels wel detentieongeschikt moet worden geacht of dat de beschikbare zorg in detentie voor hem ontoereikend zou zijn. Daarbij komt dat verweerder heeft toegelicht dat eiser onder behandeling staat bij de medische dienst en dat de medische dienst eiser niet detentieongeschikt heeft bevonden. De beroepsgrond dat alsnog een lichter middel moest worden toegepast slaagt daarom niet.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.