ECLI:NL:RBDHA:2026:1215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.31632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 ProcedurerichtlijnArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-ontvankelijk verklaarde asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 22 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 8 juli 2025 niet-ontvankelijk. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 3 oktober 2025 oordeelde de rechtbank dat nader medisch onderzoek noodzakelijk was en dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid, in strijd met artikel 24 van Pro de Procedurerichtlijn.

De minister kreeg de gelegenheid het gebrek te herstellen, maar informeerde later dat eiser op 16 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en niet op het medisch onderzoek was verschenen. De gemachtigde van eiser meldde op 31 december 2025 geen contact meer te hebben met eiser. De rechtbank sloot het onderzoek op 23 januari 2026.

Gezien het vertrek van eiser zonder nadere informatie en het ontbreken van contact met zijn gemachtigde, concludeerde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en daardoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1868,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier A. Hoekstra - Verbeek op 26 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31632

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B. Zagers).

Inleiding

1. Eiser heeft op 22 maart 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank de minister een termijn van twee weken geboden om de rechtbank nader te informeren over de mogelijkheden tot en termijnen voor het doen van nader medisch onderzoek. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 3 november 2025 een tussenuitspraak gedaan. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat eiser mogelijk bijzondere procedurele waarborgen nodig had en dat nader medisch onderzoek geboden was. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en is in strijd met artikel 24 van Pro de Procedurerichtlijn. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.5.
Bij brief van 5 november 2025 heeft de minister laten weten van de gelegenheid gebruik te willen maken om het gebrek te herstellen.
1.6.
Bij brief van 19 december 2025 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft op 30 december 2025 eveneens het Medtadvies van 19 december 2025 overgelegd, waaruit volgt dat eiser niet op het medisch onderzoek is verschenen.
1.7.
Op 31 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
1.8.
De rechtbank heeft het onderzoek daarom met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 23 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich gelet op de ontwikkelingen sinds de tussenuitspraak voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
3. De minister heeft op 19 december 2025 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 16 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 31 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [1] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
5. Nu de rechtbank in de tussenuitspraak een gebrek heeft geconstateerd, bepaalt zij dat de minister de door eiser in de beroepsfase gemaakte proceskosten vergoedt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.