ECLI:NL:RBDHA:2026:1215
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-ontvankelijk verklaarde asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 22 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 8 juli 2025 niet-ontvankelijk. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 3 oktober 2025 oordeelde de rechtbank dat nader medisch onderzoek noodzakelijk was en dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid, in strijd met artikel 24 van Pro de Procedurerichtlijn.
De minister kreeg de gelegenheid het gebrek te herstellen, maar informeerde later dat eiser op 16 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en niet op het medisch onderzoek was verschenen. De gemachtigde van eiser meldde op 31 december 2025 geen contact meer te hebben met eiser. De rechtbank sloot het onderzoek op 23 januari 2026.
Gezien het vertrek van eiser zonder nadere informatie en het ontbreken van contact met zijn gemachtigde, concludeerde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en daardoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1868,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier A. Hoekstra - Verbeek op 26 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.