Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 27 maart 2024 ontvangen, maar de minister had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 22 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en het beroep meer dan twee weken na ingebrekestelling is ingesteld. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.