ECLI:NL:RBDHA:2026:12216
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering non-refoulement bij maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser is op 3 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft op 29 april 2026 de zaak behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de bewaring niet zijn bestreden en voldoende zijn om de maatregel te dragen. Echter heeft verweerder nagelaten te beoordelen of het non-refoulementbeginsel zich tegen uitzetting verzet, zoals vereist op grond van recente jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoewel eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard geen vrees te hebben voor de Algerijnse autoriteiten, is deze verklaring niet in het besluit gemotiveerd. De rechtbank stelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen.
De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig vanaf het moment van opleggen. De rechtbank beveelt opheffing en kent een schadevergoeding toe van € 3.240,- voor 27 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van € 1.868,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende motivering van het non-refoulementbeginsel en de maatregel van bewaring wordt onrechtmatig verklaard met toekenning van schadevergoeding.