ECLI:NL:RBDHA:2026:12232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17941 en NL26.17942
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DvoArt. 17 DvoArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Soedanese jongere, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser betoogde dat zijn medische klachten onvoldoende zijn onderzocht, dat hij gezinsbanden heeft met zijn broer in Nederland en dat overdracht aan Spanje tot een onevenredige hardheid leidt. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank stelde dat eiser geen bewijs had geleverd van medische noodzaak voor behandeling in Nederland en dat de familiebanden niet voldeden aan de strikte criteria van afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Ook waren de persoonlijke omstandigheden niet bijzonder genoeg om toepassing van artikel 17 te Pro rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17941 en NL26.17942
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2002 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder gehouden was nader onderzoek te verrichten naar de door eiser benoemde medische klachten. Eiser heeft verder aangegeven dat zijn broer en gezin in Nederland wonen en dat eiser altijd het doel heeft gehad om zich in Nederland bij zijn broer te vestigen. Volgens eiser heeft verweerder dat ten onrechte in het bestreden besluit buiten beschouwing gelaten. Eiser stelt dat hij voldoende documenten heeft aangeleverd die de familieband aantonen. Dat die documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht doet niet af aan het feit dat verweerder inzicht heeft in de vreemdelingenrechtelijke dossiers van eisers broer en zijn gezin. Eiser valt als jongminderjarige onder de verantwoordelijkheid van zijn volwassen broer in Nederland en is dus gezinslid van zijn broer, wat verweerder had moeten meewegen. Op dit punt is het besluit dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. Tot slot stelt eiser dat een overdracht naar Spanje leidt tot een onevenredige hardheid omdat zijn situatie valt onder een bijzondere, individuele omstandigheid waardoor verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [2] heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Dit betekent dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Spanje niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest [5] strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.1.
Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen documenten of ander bewijs overlegd waaruit zou moeten blijken dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Aangezien er geen sprake is van concrete aanwijzingen, dan wel indicaties, dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt, is verweerder niet gehouden om nader onderzoek te doen.
5.2.
Wat betreft eisers medische situatie overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen medische documenten heeft overlegd waaruit zou moeten blijken van de gestelde medische klachten. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat de medische voorzieningen in Spanje in beginsel van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en toegankelijk zijn voor Dublinclaimanten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is of dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling van zijn medische klachten. Verweerder heeft erop gewezen dat hij, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, de Spaanse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht in kan lichten over eisers medische situatie.
6. Ten aanzien van eisers stellingen met betrekking tot zijn broer en zijn gezin oordeelt de rechtbank als volgt. Van afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van Pro de Dublinverordening is sprake als het gaat om afhankelijkheid van hulp tussen de vreemdeling en een kind, broer of zus, of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten. Die afhankelijkheid moet bovendien voortkomen uit een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd. Ook moeten er al in het land van herkomst familiebanden hebben bestaan en moet het familielid of de vreemdeling in staat zijn voor de afhankelijke persoon te zorgen. Ten slotte moeten de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
6.1.
Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit wat eiser heeft aangevoerd niet blijkt van afhankelijkheid in voornoemde zin. Ook heeft eiser geen documenten of ander bewijs overlegd waaruit het tegendeel zou moeten blijken. Eisers stelling dat verweerder inzicht heeft in de vreemdelingenrechtelijke dossiers van zijn broer en zijn gezin maakt dit oordeel niet anders, nu het aan eiser is om de gestelde afhankelijkheidsrelatie te onderbouwen.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn om te moeten concluderen dat overdracht aan Spanje leidt tot onevenredige hardheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Naar oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Uitspraken van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880, van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5353.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.