ECLI:NL:RBDHA:2026:12232
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Soedanese jongere, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser betoogde dat zijn medische klachten onvoldoende zijn onderzocht, dat hij gezinsbanden heeft met zijn broer in Nederland en dat overdracht aan Spanje tot een onevenredige hardheid leidt. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank stelde dat eiser geen bewijs had geleverd van medische noodzaak voor behandeling in Nederland en dat de familiebanden niet voldeden aan de strikte criteria van afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Ook waren de persoonlijke omstandigheden niet bijzonder genoeg om toepassing van artikel 17 te Pro rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.