6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte, destijds 19 jaar, heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 14 jaar. Hij heeft daarbij haar billen en borsten betast en is met zijn penis haar lichaam binnengedrongen.
Dat de ontuchtige handelingen kennelijk consensueel waren, maakt dit oordeel niet anders. Het is aannemelijk dat het slachtoffer zelf (ook) het initiatief heeft genomen tot de seksuele handelingen en dat zij ook tijdens de seks heeft laten blijken dat zij het zelf ook wilde. De rechtbank gaat er bovendien op basis van het dossier niet zonder meer van uit dat het slachtoffer (ondanks haar jonge leeftijd) qua persoonlijk overwicht in grote mate onder deed voor de verdachte. Dat maakt het feit echter niet minder ernstig. De wetgeving over ontucht met jongeren onder 16 jaar is namelijk ook bedoeld als bescherming van tegen verleidingen die van
henzelfkunnen uitgaan.
Het feit dat dit plaatsvond, terwijl het meisje behoorlijk onder invloed van alcohol was, acht de rechtbank ook afkeurenswaardig.
De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het meisje aangetast en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.
De persoon van de verdachte
De reclassering heeft een rapport uitgebracht op 18 december 2025, in aanvulling op een eerder rapport van 8 mei 2024.
Verder beschikt de rechtbank over een Pro Justitia-rapport van 16 april 2024 door psycholoog drs. [naam 2] . Hoewel dit rapport inmiddels is verouderd, geeft het wel inzicht in de persoon van de verdachte ten tijde van het delict.
Toerekenbaarheid
De psycholoog heeft bij de verdachte geen psychische stoornis en psychopathologie vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen voor een verminderde toerekenbaarheid.
Recidiverisico
Volgens de psycholoog is op basis van het ontbreken van een psychische stoornis geen sprake van doorwerking en daarom kan door hem ook geen inschatting gemaakt van de kans op herhaling.
Volgens de reclassering zijn er geen risicofactoren voor recidive. Er is stabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte heeft zijn MBO-opleiding afgerond en woont zelfstandig. De ambulante begeleiding in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is afgesloten, omdat er geen begeleidingsdoelen meer zijn.
Het risico op zowel algemene recidive als op geweld wordt door de reclassering daarom ingeschat als laag
Geen toepassing jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van de feiten 19 jaar oud, zodat in beginsel het strafrecht voor meerderjarigen aan de orde is. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid om jongvolwassenen (van 18 tot 23 jaar) te berechten volgens het sanctiestelsel voor minderjarigen, mits de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De psycholoog concludeert tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Hoewel er indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht worden gezien, zijn dit met name mogelijkheden en geen kritieke noodzakelijkheden.
Verdachte heeft in Nederland zijn scholing goed opgepakt en is in praktische zin waarschijnlijk juist zelfstandiger dan zijn leeftijdsgenoten. Sociaal emotioneel gezien loopt hij waarschijnlijk achter, maar hier is onvoldoende zicht op gekomen door het gebrek aan hetero-anamnese. Er is beperkt zicht op zijn handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding. De psycholoog concludeert voorzichtig dat het volwassenenstrafrecht het best aansluit bij verdachte.
De reclassering concludeert dat er geen indicaties naar voren zijn gekomen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte kan zijn gedrag volledig zelfstandig organiseren. Hij woont zelfstandig en neemt al jaren niet meer actief deel aan een gezin. Er is geen noodzaak voor interventies of maatregelen die alleen binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn.
De rechtbank ziet op grond van de voorgaande adviezen en hetgeen ter zitting is besproken met de verdachte de volgende aanknopingspunten voor het toe te passen sanctiestelsel.
Verdachte is een inmiddels 21-jarige adolescent die zijn leven op orde heeft en zelfstandig functioneert in de maatschappij. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte nog baat heeft bij pedagogische beïnvloeding of op een andere wijze begeleiding nodig heeft die alleen binnen het jeugdstrafrecht kan worden aangeboden.
De rechtbank zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen. Dat laat onverlet dat de rechtbank, zoals hierna zal worden toegelicht, bij de oplegging van de straf wel rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte.
De redelijke termijn
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de redelijke termijn voor berechting.
De redelijke termijn is aangevangen op 12 november 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Een half jaar later, op 17 mei 2024, is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. De rechtbank constateert dat het onderzoek op 3 februari 2025 is afgerond. Op 12 januari 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ruim anderhalf jaar in vrijheid zijn berechting heeft mogen afwachten. Zij gaat daarom uit van een redelijke termijn van twee jaren. Deze termijn is derhalve met twee maanden overschreden.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, nog los van de omstandigheid dat voor het bewezenverklaarde feit een taakstrafverbod geldt, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen passend en geboden, met aftrek van voorarrest. Deze tijd is door de verdachte reeds in voorarrest doorgebracht.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel (al dan niet met bijzondere voorwaarden) ziet de rechtbank, mede gelet op de adviezen, geen aanleiding.
De rechtbank zal hiermee een lagere straf opleggen dan gevorderd, omdat zij bij de bepaling van de strafoplegging (kennelijk meer dan de officier van justitie) rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de jeugdige leeftijd van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.