ECLI:NL:RBDHA:2026:1226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
09-300338-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 oud SrArt. 245 oud SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting en veroordeling ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen een 21-jarige verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en ontuchtige handelingen met een 14-jarige aangeefster. Na uitgebreid onderzoek en meerdere zittingen oordeelde de rechtbank dat de seksuele handelingen consensueel waren, waardoor de verkrachtingsbeschuldiging niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. De verklaringen van de aangeefster waren inconsistent en een deskundige concludeerde dat er meer aanwijzingen waren dat de eerste belastende verklaringen niet valide waren.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte wel ontuchtige handelingen had gepleegd, waaronder het aanraken van de borsten en billen en het binnendringen van de vagina van de minderjarige. Het leeftijdsverschil van bijna vijf jaar en de omstandigheden, waaronder het gebruik van alcohol door het slachtoffer en het ontbreken van een duurzame relatie, maakten dat deze handelingen in strijd waren met de sociaal-ethische norm.

De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen en het spugen in de mond van het slachtoffer wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 90 dagen op, rekening houdend met de ernst van het feit, de jeugdige leeftijd van de verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn. Toepassing van het volwassenenstrafrecht werd passend geacht, omdat de verdachte zelfstandig functioneert en geen indicaties voor jeugdstrafrecht aanwezig waren.

De rechtbank concludeerde dat het bewezenverklaarde strafbaar was en dat de verdachte strafbaar was. De opgelegde straf werd verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht. Het vonnis werd uitgesproken op 26 januari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verkrachting en veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf voor ontuchtige handelingen met minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-300338-23
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [land] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 februari 2024, 16 mei 2024 (beide pro forma) en 12 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Post en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R. Dijkstra naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 november 2023 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld en/of een andere feitelijkheid, te weten
- het bij de nek/keel grijpen/beetpakken van die [aangeefster] en/of het (vervolgens) dwingen van die [aangeefster] ‘I love you’ tegen hem, verdachte, te zeggen, althans woorden gelijke aard en/of strekking,
- het dronken voeren van die [aangeefster] , althans bij die [aangeefster] aandringen tot het drinken van alcohol,
- het voorbijgaan aan de verbale uitingen gedaan door die [aangeefster] , te weten ‘nee’ en/of ‘stop en/of ‘je doet me pijn’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- het onverhoeds op die [aangeefster] gaan liggen en/of
- het tegen die [aangeefster] zeggen ‘ik stop nog niet voordat ik ben gekomen’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het aanraken van de rug en/of de buik en/of de billen en/of de borst(en), althans het lichaam van die [aangeefster] ,
- het spugen in de mond van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of duwen en/of vervolgens heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 november 2023 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het aanraken van de rug en/of de buik en/of de billen en/of de borst(en), althans het lichaam van die [aangeefster] ,
- het spugen in de mond van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of duwen en/of vervolgens heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde (verkrachting)
In deze zaak wordt de verdachte in de eerste plaats verweten dat hij op 12 november 2023 de toen veertienjarige aangeefster heeft verkracht. Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting staat vast dat tussen de verdachte en de aangeefster seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster. De verdachte erkent dat hij seks heeft gehad met de aangeefster, maar ontkent dat daarbij sprake was van onvrijwilligheid of dwang.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster weliswaar gedetailleerd zijn, maar dat zij haar verklaring meerdere malen heeft gewijzigd, in die zin dat zij in haar laatste verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris heeft verklaard dat de seks vrijwillig was.
In opdracht van de rechter-commissaris heeft prof. dr. [naam 1] een betrouwbaarheidsonderzoek naar de verklaringen van aangeefster uitgevoerd.
Hij concludeert dat er twee verschillende scenario’s mogelijk zijn. Het eerste scenario is dat de eerste verklaringen van aangeefster valide zijn. Het tweede scenario is dat zij om een andere reden heeft verteld dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en de eerste verklaringen dus niet valide zijn. Volgens zijn analyse zijn er meer aanwijzingen voor het tweede scenario dan voor het eerste.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de seksuele handelingen, waaronder mede het binnendringen van het lichaam, consensueel waren. Zij is dan ook van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring voor van het subsidiair tenlastegelegde (ontucht)
Met betrekking tot de vraag of de in de tenlastelegging genoemde feitelijke handelingen als ontuchtige handelingen vallen aan te merken, overweegt de rechtbank als volgt.
Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ zoals bedoeld in artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.
De verdachte was ten tijde van het feit 19,5 jaar oud en de aangeefster was 14 jaar en 10 maanden. Een kalenderleeftijdsverschil van bijna vijf jaren is naar het oordeel van de rechtbank in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil. In het algemeen bestaat er tussen twee personen van die leeftijden een duidelijk verschil in seksuele ontwikkeling.
Dat de verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van de leeftijd van de aangeefster doet daar niet aan af; dat komt – gelet op de vaste jurisprudentie – voor zijn rekening.
De rechtbank betrekt hierbij verder dat tussen de verdachte en de aangeefster geen duurzame affectieve relatie bestond; zij hadden elkaar vlak voor het seksueel contact voor het eerst ontmoet en kenden elkaar dus nauwelijks. Ook betrekt de rechtbank hierbij de omstandigheden waaronder de verdachte en de aangeefster elkaar hebben ontmoet en seks met elkaar hebben gehad. De aangeefster had alcohol gedronken, moest op een gegeven moment overgeven en ging op bed liggen. De seks heeft hierna plaatsgevonden. Dit alles vond plaats in de (relatief kleine) woning van de verdachte, terwijl in die woning op dat moment ook andere personen aanwezig waren, onder wie de destijds 20-jarige medeverdachte.
Het voorgaande, met het leeftijdsverschil voorop, maakt dat de rechtbank de handelingen van de verdachte, te weten het aanraken van en het seksueel binnendringen met zijn penis en vingers in het lichaam van de aangeefster, in strijd acht met de sociaal-ethische norm. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen voor ontucht.
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen en het spugen in de mond van aangeefster wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023354658, van de politie eenheid Den Haag, team Zeden (p. 1 t/m 350).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 13 november 2023, voor zover inhoudende (p. 60-72):
Plaats delict: Leiden
Pleegdatum: 12 november 2023
Jongen 1 ging de hele tijd aan mij zitten, aan mijn rug en buik.
2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangeefster] , opgemaakt op 3 februari 2024, voor zover inhoudende (p. 295):
Nu is mijn herinnering dat hij naast mij kwam liggen, hij mij aan de achterkant begon te knuffelen. Dat ik me heb omgedraaid naar zijn borst toe. Eerst begon ik hem te knuffelen en toen begon ik hem te zoenen.
Toen ging hij bovenop mij liggen. Toen gingen we nog steeds alleen maar zoenen. Hij ging een beetje tegen mij aanwrijven en toen ging ik ook tegen hem aanwrijven.
Toen deed hij zijn broek uit en toen ging het over tot seks. Toen had ik seks met [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] , getuige, op 22 april 2024 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:
[verdachte] en ik begonnen elkaar te zoenen. [verdachte] kwam toen naast mij liggen. Ik begon hem te knuffelen en gaf hem kusjes in de nek. Toen begon het met de seks. We hadden seks en toen ging [verdachte] slapen. Daarna ben ik weer verder gegaan met [verdachte] .
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van [geboortedatum 2] 2026, voor zover inhoudende:
[aangeefster] lag eerst haar rug naar mij toe. Ze keerde zich om en ging mij knuffelen en aanraken. Zo is het begonnen. Ik heb tijdens de seks in bed aan haar borsten en billen gezeten.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
subsidiairhij op 12 november 2023 te Leiden met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het aanraken van de billen en de borsten van die [aangeefster] ,
- het brengen en vervolgens heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] .

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 376 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 188 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Bij bewezenverklaring heeft de raadsvrouw bepleit de straf te matigen en, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, het jeugdstrafrecht toe te passen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte, destijds 19 jaar, heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 14 jaar. Hij heeft daarbij haar billen en borsten betast en is met zijn penis haar lichaam binnengedrongen.
Dat de ontuchtige handelingen kennelijk consensueel waren, maakt dit oordeel niet anders. Het is aannemelijk dat het slachtoffer zelf (ook) het initiatief heeft genomen tot de seksuele handelingen en dat zij ook tijdens de seks heeft laten blijken dat zij het zelf ook wilde. De rechtbank gaat er bovendien op basis van het dossier niet zonder meer van uit dat het slachtoffer (ondanks haar jonge leeftijd) qua persoonlijk overwicht in grote mate onder deed voor de verdachte. Dat maakt het feit echter niet minder ernstig. De wetgeving over ontucht met jongeren onder 16 jaar is namelijk ook bedoeld als bescherming van tegen verleidingen die van
henzelfkunnen uitgaan.
Het feit dat dit plaatsvond, terwijl het meisje behoorlijk onder invloed van alcohol was, acht de rechtbank ook afkeurenswaardig.
De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het meisje aangetast en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.
De persoon van de verdachte
De reclassering heeft een rapport uitgebracht op 18 december 2025, in aanvulling op een eerder rapport van 8 mei 2024.
Verder beschikt de rechtbank over een Pro Justitia-rapport van 16 april 2024 door psycholoog drs. [naam 2] . Hoewel dit rapport inmiddels is verouderd, geeft het wel inzicht in de persoon van de verdachte ten tijde van het delict.
Toerekenbaarheid
De psycholoog heeft bij de verdachte geen psychische stoornis en psychopathologie vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen voor een verminderde toerekenbaarheid.
Recidiverisico
Volgens de psycholoog is op basis van het ontbreken van een psychische stoornis geen sprake van doorwerking en daarom kan door hem ook geen inschatting gemaakt van de kans op herhaling.
Volgens de reclassering zijn er geen risicofactoren voor recidive. Er is stabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte heeft zijn MBO-opleiding afgerond en woont zelfstandig. De ambulante begeleiding in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is afgesloten, omdat er geen begeleidingsdoelen meer zijn.
Het risico op zowel algemene recidive als op geweld wordt door de reclassering daarom ingeschat als laag
Geen toepassing jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van de feiten 19 jaar oud, zodat in beginsel het strafrecht voor meerderjarigen aan de orde is. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid om jongvolwassenen (van 18 tot 23 jaar) te berechten volgens het sanctiestelsel voor minderjarigen, mits de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De psycholoog concludeert tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Hoewel er indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht worden gezien, zijn dit met name mogelijkheden en geen kritieke noodzakelijkheden.
Verdachte heeft in Nederland zijn scholing goed opgepakt en is in praktische zin waarschijnlijk juist zelfstandiger dan zijn leeftijdsgenoten. Sociaal emotioneel gezien loopt hij waarschijnlijk achter, maar hier is onvoldoende zicht op gekomen door het gebrek aan hetero-anamnese. Er is beperkt zicht op zijn handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding. De psycholoog concludeert voorzichtig dat het volwassenenstrafrecht het best aansluit bij verdachte.
De reclassering concludeert dat er geen indicaties naar voren zijn gekomen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte kan zijn gedrag volledig zelfstandig organiseren. Hij woont zelfstandig en neemt al jaren niet meer actief deel aan een gezin. Er is geen noodzaak voor interventies of maatregelen die alleen binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn.
De rechtbank ziet op grond van de voorgaande adviezen en hetgeen ter zitting is besproken met de verdachte de volgende aanknopingspunten voor het toe te passen sanctiestelsel.
Verdachte is een inmiddels 21-jarige adolescent die zijn leven op orde heeft en zelfstandig functioneert in de maatschappij. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte nog baat heeft bij pedagogische beïnvloeding of op een andere wijze begeleiding nodig heeft die alleen binnen het jeugdstrafrecht kan worden aangeboden.
De rechtbank zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen. Dat laat onverlet dat de rechtbank, zoals hierna zal worden toegelicht, bij de oplegging van de straf wel rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte.
De redelijke termijn
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de redelijke termijn voor berechting.
De redelijke termijn is aangevangen op 12 november 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Een half jaar later, op 17 mei 2024, is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. De rechtbank constateert dat het onderzoek op 3 februari 2025 is afgerond. Op 12 januari 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ruim anderhalf jaar in vrijheid zijn berechting heeft mogen afwachten. Zij gaat daarom uit van een redelijke termijn van twee jaren. Deze termijn is derhalve met twee maanden overschreden.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, nog los van de omstandigheid dat voor het bewezenverklaarde feit een taakstrafverbod geldt, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen passend en geboden, met aftrek van voorarrest. Deze tijd is door de verdachte reeds in voorarrest doorgebracht.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel (al dan niet met bijzondere voorwaarden) ziet de rechtbank, mede gelet op de adviezen, geen aanleiding.
De rechtbank zal hiermee een lagere straf opleggen dan gevorderd, omdat zij bij de bepaling van de strafoplegging (kennelijk meer dan de officier van justitie) rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de jeugdige leeftijd van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

7.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen straf is gegrond op artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2026.