ECLI:NL:RBDHA:2026:1232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL25.45941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij inreisverbod

De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, had beroep ingesteld tegen een besluit waarin een verblijfsvergunning asiel werd afgewezen en een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd. Tijdens de zitting was alleen de gemachtigde van de verweerder aanwezig; de eiser en zijn gemachtigde verschenen niet.

De rechtbank onderzocht ambtshalve of de eiser procesbelang had. Uit de procedure bleek dat de eiser met onbekende bestemming was vertrokken en geen contact meer onderhield met zijn gemachtigde. De gemachtigde gaf aan dat de eiser in Spanje verblijft, maar niet reageert op berichten en het bekende e-mailadres niet meer in gebruik is.

Volgens vaste rechtspraak is procesbelang bij een inreisverbod alleen aanwezig als de vreemdeling gedurende de procedure contact houdt met zijn gemachtigde. Omdat dit niet het geval was, concludeerde de rechtbank dat de eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het inreisverbod en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank deed geen inhoudelijke uitspraak en wees proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door het ontbreken van contact met de gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45941

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 september 2025 de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit de ingediende beroepsgronden van 29 september 2025 blijkt dat het beroep van eiser zich enkel richt tegen het opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar.
4. Verweerder heeft op 21 oktober 2025 aan de rechtbank medegedeeld dat gebleken is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Bij bericht van 22 oktober 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om te laten weten of hij nog contact met eiser heeft en of hij op de hoogte is van zijn verblijfplaats.
5. De gemachtigde van eiser heeft op 22 oktober 2025 en 30 oktober 2025 op het bericht van de rechtbank gereageerd. Eiser, die in Spanje verblijft, reageert volgens de gemachtigde niet op e-mails en de gemachtigde heeft de melding ontvangen dat het bij hem bekende e-mailadres van eiser niet meer in gebruik is. De gemachtigde van eiser stelt zich echter op het standpunt dat wel sprake is van procesbelang omdat het gaat om een inreisverbod. Het beroep moet daarom volgens hem ontvankelijk worden geacht.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken nog wel belang houdt bij een inhoudelijke beoordeling van een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod als hij zijn gemachtigde gedurende de gehele procedure, in ieder geval totdat de rechtbank het onderzoek sluit, op de hoogte houdt van zijn verblijfplaats en met hem steeds in contact blijft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. [1]
7. In het kader van het inreisverbod is het dus niet vereist dat eiser nog in Nederland is. Wel is vereist dat er contact is tussen eiser en zijn gemachtigde. Omdat dat contact er niet meer is, is er niet voldaan aan de vereisten. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het bij het asielbesluit uitgevaardigde inreisverbod. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ben Larbi, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2090, r.o. 2.1.