Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag van 29 juli 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank behandelt de zaak zonder zitting en wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder de uitspraak van deze rechtbank vernietigd en een nieuwe beslistermijn vastgesteld. Omdat de minister geen gelegenheid tot herstel van verzuimen of nader onderzoek heeft geboden, had hij binnen vier weken na de rechtbankuitspraak moeten beslissen, wat niet is gebeurd.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond, en draagt de minister op binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en openbaar gemaakt op 19 mei 2026.