Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 12 juni 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 1 november 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat eiser terecht beroep heeft ingesteld. De minister moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van € 100,- verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan de hoogte van eerder verbeurde dwangsommen niet vaststellen vanwege gewijzigde wetgeving per 15 april 2025. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de beslistermijn ging.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober en is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.