ECLI:NL:RBDHA:2026:125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
NL25.26897
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Afghaanse nationaliteit met betrekking tot bedreigingen door de Taliban

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een asielprocedure. Eiser, een Afghaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser heeft verklaard dat hij Afghanistan heeft verlaten vanwege bedreigingen van de Taliban, maar de rechtbank oordeelt dat zijn verklaringen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank heeft de zaak mondeling behandeld op 18 december 2025, waarbij eiser aanwezig was met zijn gemachtigde. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

Eiser heeft verklaard dat hij op 22 maart 2021 uit Afghanistan is vertrokken en dat hij eerder rechtmatig verblijf had in Nederland voor studie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister het asielmotief van eiser niet gelooft, omdat zijn verklaringen geen samenhangend geheel vormen. Eiser heeft geen goede verklaring gegeven voor het niet tijdig indienen van zijn asielaanvraag en heeft geen documenten overgelegd die zijn vrees voor de Taliban onderbouwen.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. De door eiser overgelegde brief, die volgens hem van de Taliban afkomstig is, is niet objectief vast te stellen en draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser komt niet in aanmerking voor een vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26897

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als ongegrond.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep mondeling behandeld op de zitting van 18 december 2025. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [naam].

Beoordeling

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2025 en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft verklaard dat hij op 22 maart 2021 is vertrokken uit Afghanistan naar Turkije. Hij is op basis van een visum naar Nederland gereisd. Eiser heeft vanaf 1 september 2022 rechtmatig verblijf gehad voor studie. De hiervoor verleende verblijfsvergunning is bij besluit van 2 februari 2024 ingetrokken met ingang van 9 oktober 2023. Eiser heeft op 11 augustus 2023 asiel gevraagd. Daarbij heeft hij verklaard dat hij Afghanistan heeft verlaten vanwege dreigementen die hij zou hebben ontvangen omdat hij werkzaam was bij NGO’s in Afghanistan.
2. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder het gestelde asielmotief niet gelooft. Eisers verklaringen vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Uit eisers verklaringen volgt slechts dat hij vermoedt dat de Taliban hem hebben bedreigd, zonder dat hij dit vermoeden kan funderen. Ook heeft hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring, aldus verweerder.
3. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de Taliban er om bekend staan zich te richten op personen die werken of hebben gewerkt voor buitenlandse organisaties, ngo’s en overheden. Gelet op de aard van de bedreigingen en het directe verband met eisers werkzaamheden moet ervan worden uitgegaan dat eiser door de Taliban is bedreigd. Ook de omstandigheid dat de bedreigingen door verschillende individuen zijn geuit en men er telkens in slaagde om het telefoonnummer van eiser te achterhalen is een sterke indicatie hiervoor. Voor zover verweerder tegenwerpt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat, heeft verweerder verzuimd door te vragen. Eiser stelt in dit verband dat zijn vader een van de oprichters is van de ngo waar hij werkte en dat het daarom aannemelijk is dat vader en de overige familieleden in de negatieve belangstelling staan. Het is volgens eiser onterecht dat hem wordt verweten dat hij niet meteen na aankomst in Nederland om asiel heeft gevraagd. Eiser heeft eerst andere mogelijkheden voor langdurig verblijf geprobeerd zodat hij kon werken. Als nadere onderbouwing van zijn asielmotief heeft eiser in beroep een kopie van een brief overgelegd die volgens hem afkomstig is van de Taliban.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Eiser heeft deze vrees in de besluitvormingsprocedure niet kunnen onderbouwen met documenten. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij alleen een vermoeden heeft dat de bedreigingen aan zijn adres zijn gedaan door de Taliban. Dat de Taliban zich in het algemeen richten op (voormalige) medewerkers van buitenlandse organisaties, ngo’s en overheden maakt dan nog niet aannemelijk dat eiser als voormalig medewerker van een ngo ook zelf in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Verweerder heeft het daarbij niet ten onrechte niet geloofwaardig gevonden dat de gestelde bedreigingen in 2016 zouden zijn begonnen en dat het vervolgens bij bedreigingen is gebleven totdat eiser op 22 maart 2021 is vertrokken. Ook vindt verweerder het niet ten onrechte onaannemelijk dat de Taliban daarbij bijzondere moeite zou hebben gedaan om eiser keer op keer te traceren, terwijl na eisers vertrek hij, noch zijn familie verder zijn lastiggevallen. De in beroep aangevoerde omstandigheid dat eiser juist vanwege de relatie met zijn vader in de negatieve belangstelling zou staan draagt gelet op het voorgaande niet bij aan de aannemelijkheid van het asielrelaas.
5. Verweerder heeft daarnaast terecht tegengeworpen dat eiser pas geruime tijd na zijn komst naar Nederland om bescherming heeft gevraagd, terwijl eiser stelt dat hij vanwege de problemen met de Taliban uit Afghanistan is vertrokken. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat het reguliere verblijfsrecht eiser slechts tijdelijk feitelijke bescherming kon bieden. Van eiser mocht dan ook onverkort worden verwacht dat hij meteen na aankomst asielrechtelijke bescherming vraagt. Dat eiser dat niet heeft gedaan, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Taliban.
6. De door eiser in beroep overgelegde brief leidt niet tot een ander oordeel. Het document is in kopie overgelegd samen met een door eiser zelf opgestelde vertaling. De inhoud van de brief, noch de afzender is hiermee objectief vast te stellen. De brief is gedateerd op 21 augustus 2020 wat de vraag op roept waarom deze niet eerder is overgelegd. De toelichting dat de brief bekend was in de familie, maar omwille van eisers gemoedsrust voor hem verborgen is gehouden, maken gelet op wat hierboven is overwogen niet dat het relaas van eiser alsnog geloofwaardig moet worden geacht.
7. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Eiser komt niet in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten door verweerder.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.