Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24311
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet

Bij besluit van 29 april 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De zaak werd schriftelijk behandeld.

De minister beriep zich op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, omdat nog geen terugname- of overnameverzoek was ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat de minister op de vijfde dag na inbewaringstelling een vertrekgesprek voerde en op de zevende dag een terugnameverzoek indiende bij de Poolse autoriteiten, waarna een akkoord volgde en uitzetting gepland stond.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24311

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 29 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 5 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 7 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft namelijk nog geen terugname-, dan wel overnameverzoek gedaan, terwijl dit al wel hand gekund. Dat verweerder een vertrekgesprek heeft gevoerd, betekent daarom nog niet dat verweerder voortvarend handelt.
4. Anders dan de gemachtigde, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5. De Afdeling [1] heeft in het algemeen een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend geacht. [2] Dit geldt zowel voor geplande bewaring als voor bewaring na een geplande overdracht. Verweerder heeft op 4 mei 2026, de vijfde dag na inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Verder heeft verweerder op 6 mei, de zevende dag na inbewaringstelling, een terugnameverzoek ingediend bij de Poolse autoriteiten. Daarop is een akkoord ontvangen en eiser wordt op 14 mei 2026 uitgezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld, temeer omdat in eisers geval geen sprake was van een geplande bewaring. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder eerder een terugnameverzoek had moeten indienen.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.