ECLI:NL:RBDHA:2026:12535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL25.55975
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6:22 AwbArt. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Guinee wegens ontbreken reëel risico en adequate opvang

Eiser, een minderjarige met de Guinese nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland. Hij vluchtte vanuit Guinee naar Gambia vanwege mishandeling door zijn vader en vreest terugkeer naar Guinee vanwege armoede en mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af omdat geen reëel risico op ernstige schade werd vastgesteld en omdat adequate opvang beschikbaar is via de moeder van eiser, ondanks dat zij in Gambia verblijft.

De rechtbank oordeelt dat de minister het juiste toetsingskader hanteerde en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico op ernstige schade loopt. De algemene armoedesituatie in Guinee is ernstig, maar niet van dien aard dat artikel 3 EVRM Pro wordt geschonden. De zorgplicht van de moeder geldt ook als zij niet in het land van herkomst verblijft, en eiser heeft onvoldoende aangetoond dat hij niet op haar zorg kan rekenen.

Hoewel het besluit een gebrek bevat doordat Gambia als land van terugkeer werd genoemd terwijl de minister tijdens de zitting aangaf dat terugkeer naar Guinee wordt bepleit, passeert de rechtbank dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een reëel risico en aanwezigheid van adequate opvang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55975

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Guinee geen reëel risico op ernstige schade loopt en dat voor hem adequate opvang aanwezig is. Daarbij heeft de minister mogen wijzen op de zorgplicht van de moeder van eiser, ondanks dat zij in Gambia verblijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 februari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. H.J. Jansen, als waarnemer voor de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Guinese nationaliteit en is geboren op [datum] 2008. Eiser is als kind vanuit Guinee naar Gambia vertrokken waar hij, samen met zijn ouders, illegaal verbleef. Zijn vader had twee vrouwen en behandelde eiser slecht. Zijn vader mishandelde hem en zijn moeder. Dat is de reden dat eiser vertrokken is uit Gambia. Eiser kan niet terugkeren naar Guinee omdat hij daar vreest voor behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de armoede in Guinee en hij kan niet terugkeren naar Gambia, omdat hij daar geen rechtmatig verblijf heeft (gehad).
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst. Dit asielmotief acht de minister geloofwaardig. Op grond hiervan kan eiser echter niet worden aangemerkt als vluchteling en loopt hij ook geen reëel risico op ernstige schade. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiser geen reguliere verblijfsvergunning krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV). Eiser heeft namelijk adequate opvang in Gambia omdat de moeder van eiser daar woonachtig is. Daarnaast heeft de moeder van eiser een zorgplicht over hem, waardoor ook adequate opvang in Guinee (het land van herkomst van eiser) wordt aangenomen. De minister heeft daarom aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat hij moet terugkeren naar Guinee of Gambia.
4.1.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het standpunt met betrekking tot de adequate opvang van de minister is dat eiser terug kan keren naar Guinee. De rechtbank maakt daaruit op dat Gambia niet langer als land van terugkeer aan eiser wordt tegengeworpen.
4.2.
Omdat Gambia in het besluit wel als land van terugkeer was tegengeworpen, en eiser daartegen ook beroepsgronden had gericht, bevat het besluit naar het oordeel van de rechtbank een gebrek. Dat gebrek zal de rechtbank echter passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Loopt eiser in Guinee een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij in Guinee geen reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft hierbij een onjuist toetsingskader gebruikt door te stellen dat eiser moet aantonen dat hij een reëel risico loopt behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser hoeft dit namelijk slechts aannemelijk te maken. Dat heeft eiser ook gedaan. Uit objectieve bronnen [1] blijkt namelijk dat veel mensen in Guinee onder de internationale armoedegrens leven en zich op een kritiek niveau van voedseltekorten bevinden. Bij kinderen is sprake van groeiachterstand door ondervoeding, veel kinderen gaan niet naar school en worden onderworpen aan kinderarbeid. Daarnaast heeft de minister ten onrechte aangenomen dat eiser in Guinee kan terugvallen op de zorg van zijn moeder, omdat zij niet in Guinee woont.
Toetsingskader
5.1.
De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat eiser inderdaad aannemelijk moet maken dat hij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Daar waar in het bestreden besluit ‘aantonen’ staat, is dat dus onjuist. Dit verandert de conclusie in het besluit echter niet.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het juiste toetsingskader gehanteerd. De minister heeft namelijk in het bestreden besluit overwogen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat in het bestreden besluit eenmaal staat dat eiser niet heeft aangetoond dat hij in Guinee in een situatie van extreme armoede terecht zal komen, maakt niet dat het toetsingskader onjuist is toegepast. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat is beoordeeld of eiser het reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt, en niet of hij dat heeft aangetoond, zoals dat ook tijdens de zitting door de gemachtigde van de minister is bevestigd.
Reëel risico op ernstige schade
5.3.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op basis van zijn individuele situatie een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat slechte sociaal economische omstandigheden slechts onder bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Uit de door eiser overgelegde algemene bronnen heeft de minister mogen afleiden dat, hoewel sprake is van problemen in Guinee, deze niet van dien aard zijn dat de lat van artikel 3 van Pro het EVRM gehaald wordt. Daarbij komt dat een groot deel van de overgelegde informatie vooral ziet op problemen die jonge kinderen ervaren. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser daarom met enkel deze algemene informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Het betoog van eiser dat hij in Guinee niet kan terugvallen op de zorg van zijn moeder, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst hiervoor naar dat wat zij oordeelt onder 6.2. H
Had de minister aan eiser een buitenschuldvergunning moeten verlenen?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte, zonder concreet onderzoek, het standpunt inneemt dat voor eiser adequate opvang aanwezig is in Guinee. Volgens eiser moet er een traceerbaar adres aanwezig zijn. De minister heeft het arrest T.Q. [2] niet juist toegepast bij de beoordeling van de beschikbaarheid van adequate opvang in Guinee door enkel te stellen dat de moeder van eiser een zorgplicht heeft waardoor zij zorg draagt voor de opvang van eiser. Gelet op het arrest T.Q. moet de minister namelijk eerst de situatie van de minderjarige in het land algemeen en grondig toetsen, waarbij rekening moet worden gehouden met het belang van het kind, en vervolgens moet de minister onderzoeken of adequate opvang beschikbaar is.
6.1.
Uit het arrest T.Q. en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2022 [3] volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
6.2.
Het betoog van eiser dat de minister het toetsingskader zoals dat volgt uit het arrest T.Q. niet goed heeft toegepast, volgt de rechtbank niet. Anders dan eiser lijkt te betogen, omvat de toets met betrekking tot de adequate opvang namelijk geen twee stappen, zoals ook blijkt uit dat wat onder 6.1. staat. In het arrest staat immers dat lidstaten voordat zij een terugkeerbesluit uitvaardigen aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling, de situatie van die vreemdeling algemeen en grondig moeten toetsen en in dat kader zich ervan dient te overtuigen dat voor de minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid kan worden verleend, omdat voor eiser adequate opvang in Guinee beschikbaar is. Hierbij heeft de minister terecht gewezen op de zorgplicht van de moeder van eiser. Dat de moeder van eiser niet in het land van herkomst, Guinee, verblijft, en eiser daarnaar wel moet terugkeren, staat niet in de weg aan deze zorgplicht van een ouder. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023 is in zo’n geval het uitgangspunt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat het op voorhand onmogelijk is om op de zorg van een ouder te kunnen rekenen. [4] Eiser heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser nog contact heeft met zijn moeder en weet waar zijn moeder verblijft, namelijk in Gambia. Ook heeft de moeder van eiser altijd voor hem gezorgd. De minister mag er daarom van uitgaan dat eiser, met hulp van zijn moeder, adequate opvang heeft in Guinee.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijven. Gelet op het gebrek dat onder 4.2. is geconstateerd, krijgt eiser wel vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.UNHCR in de Guidance Note on Guinea van september 2025 en informatie van ‘Save the Children ([website]).
2.HvJEU 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
4.ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4790.